LogoTransSteel 2200
  • nl
    • Contact
    • Impressum
    • Algemene voorwaarden
    • Privacyverklaring
    • 019-13122024
    • Veiligheidsvoorschriften
      • Verklaring veiligheidsaanwijzingen
      • Algemeen
      • Gebruik overeenkomstig de bedoeling
      • Netaansluiting
      • Omgevingsvoorwaarden
      • Verplichtingen van de gebruiker
      • Verplichtingen van het personeel
      • Lekstroom-beveiligingsschakelaar
      • Bescherming van uzelf en derden
      • Informatie over de geluidsemissie
      • Gevaar door schadelijke gassen en dampen
      • Gevaar door vonken
      • Gevaren door net- en lasstroom
      • Zwerfstromen
      • EMV-apparaatclassificaties
      • EMV-maatregelen
      • EMF-maatregelen
      • Bijzondere gevaren
      • Eisen aan het beschermgas
      • Gevaar door beschermgasflessen
      • Gevaar op uitstromend beschermgas
      • Veiligheidsmaatregelen op de opstelplaats en bij transport
      • Veiligheidsmaatregelen bij normaal gebruik
      • Inbedrijfname, onderhoud en reparatie
      • Veiligheidscontrole
      • Afvoer van oude apparaten
      • Veiligheidssymbolen
      • Gegevensbescherming
      • Auteursrecht
    • Algemene informatie
      • Algemeen
        • Apparaatconcept
        • De functie "Begrenzing vermogenslimiet"
        • Toepassingsgebieden
        • Waarschuwingen op het apparaat
        • Beschrijving van de waarschuwingen op het apparaat
    • Bedieningselementen en aansluitingen
      • Bedieningspaneel
        • Algemeen
        • Veiligheid
        • Bedieningspaneel
        • Toetsenblokkering
      • Aansluitingen, schakelaars en mechanische componenten
        • Veiligheid
        • Voor- en achterkant van de stroombron
        • Zijaanzicht
    • Voor installatie en ingebruikneming
      • Algemeen
        • Veiligheid
        • Gebruik overeenkomstig de bedoeling
        • Vereisten aan de installatielocatie
        • Netaansluiting
      • Generatormodus
        • Benodigd generatorvermogen
      • Netbeveiligingen
        • Instelbare netbeveiligingen
      • De draagriem monteren
        • De draagriem aan de stroombron monteren
    • MIG/MAG
      • Inbedrijfstelling
        • MIG/MAG-lasbrander aansluiten
        • De aandrijfrollen plaatsen
        • D100 draadspoel plaatsen
        • D200-draadspoel plaatsen
        • Draadelektrode laten inlopen
        • Gewenste landeninstelling selecteren
        • Gasfles aansluiten
        • Poolomkeerder aansluiten en aarde-aansluiting maken
        • Juiste ligging van de slangenpakketten
      • Rem van de draadspoelopnamen instellen
        • Algemeen
        • Rem van de draadspoelopname D200 instellen
        • Rem van de draadspoelopname D100 instellen
      • Beschrijving van de modussen MIG/MAG
        • 2-taktbedrijf
        • 4-taktbedrijf
        • Speciaal 4-taktbedrijf
        • Puntlassen
        • 2-takt-intervallassen
        • 4-takt-intervallassen
      • MIG/MAG - standaard handmatig lassen
        • Algemeen
        • Instelbare lasparameters
        • MIG/MAG-standaard-handmatig-lassen
        • Correcties bij de laswerkzaamheden
      • MIG/MAG - standaard synergisch lassen
        • MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen
        • Correcties bij de laswerkzaamheden
      • Puntlassen en interval-lassen
        • Algemeen
        • Puntlassen
        • Intervallassen
    • TIG
      • Inbedrijfstelling
        • Inbedrijfstelling
        • TIG-lassen
        • Gewenste landeninstelling selecteren
        • Juiste ligging van de slangenpakketten
      • Beschrijving van de WIG-modussen
        • 2-taktbedrijf
        • 4-stapsproces
      • Pulslassen
        • Toepassingsmogelijkheden
        • Werkingsprincipe
        • Pulslassen activeren
    • Staafelektrode
      • Inbedrijfstelling
        • Voorbereiding
        • Gewenste landeninstelling selecteren
        • Elektrodelassen
        • Juiste ligging van de slangenpakketten
      • Functies voor lasoptimalisatie
        • Dynamiek
        • De functie HotStart (Hti)
        • De functie Anti-Stick (Ast)
    • EasyJobs
      • EasyJobs opslaan en oproepen
        • Algemeen
        • EasyJob opslaan
        • EasyJob oproepen
        • EasyJob verwijderen
    • Set-upmenu
      • Setup-menu - niveau 1
        • Het setup-menu openen en sluiten, parameter wijzigen
        • Parameter voor het MIG/MAG standaard handmatig lassen
        • Parameter voor het MIG/MAG standaard synergisch lassen
        • Parameter voor TIG-lassen
        • Parameters voor elektrodelassen
      • Setup-menu - niveau 2
        • Het setup-menu niveau 2 openen en sluiten, parameter wijzigen
        • Parameter voor het MIG/MAG standaard-handmatig-lassen
        • Parameter voor het MIG/MAG standaard-synergisch-lassen
        • Parameter voor TIG-lassen
        • Parameter voor elektrodelassen
    • Optimalisatie van de laskwaliteit
      • Laskring-weerstand vaststellen
        • Algemeen
        • Laskringweerstand vaststellen (MIG/MAG-lassen)
        • Laskringweerstand vaststellen (elektrodelassen-lassen)
      • Laskring-inductiviteit aangeven
        • Algemeen
        • Laskring-inductiviteit aangeven
    • Storingen opheffen en onderhoud
      • Serviceparameters weergeven
        • Serviceparameters
      • Storingsdiagnose en storingen opheffen
        • Veiligheid
        • Storingsdiagnose
        • Weergegeven servicecodes
      • Verzorging, onderhoud en recycling
        • Algemeen
        • Veiligheid
        • Onderhoud bij iedere inbedrijfname
        • Onderhoud indien nodig, ten minste om de 2 maanden
        • Onderhoud elke 6 maanden
        • Recycling
      • Vastzittende aandrijfrollen demonteren
        • Vastzittende aandrijfrol demonteren
    • Annex
      • Gemiddelde verbruikswaarden bij het lassen
        • Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij het MIG/MAG-lassen
        • Gemiddeld beschermgasverbruik bij het MIG/MAG-lassen
        • Gemiddeld beschermgasverbruik bij het TIG-lassen
      • Technische gegevens
        • Overzicht van kritieke grondstoffen, productiejaar van apparaat
        • Speciale spanning
        • Verklaring van het begrip 'inschakelduur'
        • TransSteel 2200
        • TransSteel 2200 MV
        • China Energy Label
      • Lasprogrammatabellen
        • Lasprogrammatabel TSt 2200

    TransSteel 2200 Bedieningshandleiding

    Bedieningselementen
    MIG/MAG-inbedrijfname
    Instellingen setup
    Reserveonderdelen

    Veiligheidsvoorschriften

    Verklaring veiligheidsaanwijzingen

    WAARSCHUWING!

    Duidt op een onmiddellijk dreigend gevaar.

    Wanneer dit gevaar niet wordt vermeden, heeft dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

    GEVAAR!

    Duidt op een mogelijk gevaarlijke situatie.

    Wanneer deze situatie niet wordt vermeden, kan dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben.

    VOORZICHTIG!

    Duidt op een situatie die mogelijk schade tot gevolg kan hebben.

    Wanneer deze situatie niet wordt vermeden, kan dit lichte of geringe verwondingen evenals materiële schade tot gevolg hebben.

    OPMERKING!

    Duidt op de mogelijkheid van minder goede resultaten en mogelijke beschadiging van de apparatuur.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Verklaring veiligheidsaanwijzingen

    WAARSCHUWING!

    Duidt op een onmiddellijk dreigend gevaar.

    Wanneer dit gevaar niet wordt vermeden, heeft dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

    GEVAAR!

    Duidt op een mogelijk gevaarlijke situatie.

    Wanneer deze situatie niet wordt vermeden, kan dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben.

    VOORZICHTIG!

    Duidt op een situatie die mogelijk schade tot gevolg kan hebben.

    Wanneer deze situatie niet wordt vermeden, kan dit lichte of geringe verwondingen evenals materiële schade tot gevolg hebben.

    OPMERKING!

    Duidt op de mogelijkheid van minder goede resultaten en mogelijke beschadiging van de apparatuur.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Algemeen

    Het apparaat is volgens de laatste stand van de techniek conform de officiële veiligheidseisen vervaardigd. Onjuiste bediening of misbruik levert echter potentieel gevaar op voor:
    • het leven van de gebruiker of dat van derden
    • het apparaat en andere bezittingen van de gebruiker
    • de efficiëntie van het werken met het apparaat.
    Alle personen die met ingebruikname, bediening, onderhoud en reparatie van het apparaat te maken hebben, moeten:
    • beschikken over de juiste kwalificaties
    • kennis van lassen hebben en
    • deze bedieningshandleiding volledig lezen en exact opvolgen.

    De bedieningshandleiding moet worden bewaard op de plaats waar het apparaat wordt gebruikt. Naast de bedieningshandleiding moet bovendien de overkoepelende en lokale regelgeving ter voorkoming van ongevallen en ter bescherming van het milieu worden nageleefd.

    Alle aanwijzingen met betrekking tot veiligheid en gevaren op het apparaat:
    • in leesbare toestand houden
    • niet beschadigen
    • niet verwijderen
    • niet afdekken, afplakken of overschilderen.

    De plaatsen waar de aanwijzingen met betrekking tot veiligheid en gevaren op het apparaat zijn aangebracht, vindt u in het hoofdstuk "Algemeen" in de handleiding van het apparaat.
    Storingen die de veiligheid nadelig kunnen beïnvloeden, moeten zijn verholpen voordat het apparaat wordt ingeschakeld.
    Het gaat om uw eigen veiligheid!

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Gebruik overeenkomstig de bedoeling

    Het apparaat is uitsluitend bestemd voor werkzaamheden overeenkomstig het bedoelde gebruik.

    Het apparaat is uitsluitend voor de op het kenplaatje vermelde laswerkzaamheden bestemd.
    Ieder ander of afwijkend gebruik geldt als gebruik niet overeenkomstig de bedoeling. De fabrikant is niet aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade.

    Tot gebruik overeenkomstig de bedoeling behoort ook:
    • het volledig lezen en opvolgen van alle aanwijzingen in de handleiding
    • het volledig lezen en opvolgen van alle aanwijzingen met betrekking tot veiligheid en gevaren
    • het tijdig uitvoeren van inspectie- en onderhoudswerkzaamheden.
    Gebruik het apparaat nooit voor de volgende doeleinden:
    • het ontdooien van leidingen
    • het laden van batterijen of accu's
    • het starten van motoren

    Het apparaat is ontworpen voor gebruik in industrie- en productieomgevingen. De fabrikant is niet verantwoordelijk voor schade die ontstaat door gebruik in woonomgevingen.

    De fabrikant aanvaardt evenmin aansprakelijkheid voor gebrekkige of onjuiste resultaten.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Netaansluiting

    Apparaten met een hoog vermogen kunnen vanwege hun stroomopname de energiekwaliteit van het stroomnetwerk beïnvloeden.

    Dit kan voor bepaalde apparaattypen consequenties hebben in de vorm van:
    • aansluitbeperkingen
    • eisen m.b.t. de maximaal toelaatbare netimpedantie *)
    • eisen m.b.t. het minimaal vereiste kortsluitvermogen *)

    *) telkens bij de aansluiting op het openbare stroomnetwerk
    zie de technische gegevens

    In dat geval moet de eigenaar of de gebruiker van het apparaat eerst nagaan of het apparaat wel mag worden aangesloten. Indien nodig dient hiertoe te worden overlegd met de energieleverancier.

    BELANGRIJK! Zorg voor een veilige aarding van de netaansluiting!

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Omgevingsvoorwaarden

    Gebruik of opslag van het apparaat buiten het aangegeven bereik geldt niet als gebruik overeenkomstig de bedoeling. De fabrikant is niet aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade.

    Temperatuurbereik van de omgevingslucht:
    • tijdens het lassen: -10 °C tot + 40 °C (14 °F tot 104 °F)
    • tijdens transport en opslag: -20 °C tot +55 °C (-4 °F tot 131 °F)
    Relatieve luchtvochtigheid:
    • tot 50% bij 40 °C (104 °F)
    • tot 90% bij 20 °C (68 °F)

    Omgevingslucht: vrij van stof, zuren, corrosieve gassen of substanties, enz.
    Hoogte boven de zeespiegel: tot 2.000 m (6561 ft. 8.16 in.)

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Verplichtingen van de gebruiker

    De gebruiker is verplicht uitsluitend personen met het apparaat te laten werken die:
    • op de hoogte zijn van de fundamentele voorschriften over arbeidsveiligheid en ongevallenpreventie, en vertrouwd zijn met de bediening van het apparaat
    • deze bedieningshandleiding, met name het hoofdstuk "Veiligheidsvoorschriften", hebben gelezen en begrepen, en dit door het zetten van hun handtekening hebben bevestigd
    • voldoende gekwalificeerd zijn voor de werkzaamheden die zij uitvoeren.

    Er moet regelmatig worden gecontroleerd of het personeel in voldoende mate veiligheidsbewust werkt.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Verplichtingen van het personeel

    Alle personen die met het apparaat moeten werken, verplichten zich vóór aanvang van de werkzaamheden:
    • de fundamentele voorschriften over arbeidsveiligheid en ongevallenpreventie na te leven,
    • deze bedieningshandleiding, met name het hoofdstuk "Veiligheidsvoorschriften", te lezen, en door het zetten van hun handtekening te bevestigen dat zij deze hebben begrepen en zullen naleven.

    Voordat personen die met het apparaat werken, de werkplek verlaten, dienen zij na te gaan of er ook tijdens hun afwezigheid geen persoonlijk letsel of materiële schade kan ontstaan.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Lekstroom-beveiligingsschakelaar

    Lokale voorschriften en nationale richtlijnen kunnen voor de aansluiting van een apparaat op het openbare elektriciteitsnet een lekstroom-beveiligingsschakelaar eisen.
    Het type lekstroom-beveiligingsschakelaar dat de fabrikant voor dit apparaat aanbeveelt, wordt in de technische gegevens vermeld.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Bescherming van uzelf en derden

    Neem bij het werken met het apparaat staat u aan talrijke gevaren bloot, zoals bijvoorbeeld:
    • vonken, rondvliegende hete metaaldeeltjes
    • voor ogen en huid schadelijke straling van de boog
    • schadelijke elektromagnetische velden, die voor dragers van een pacemaker levensgevaarlijk zijn
    • gevaar van elektrische schokken door net- en lasstroom
    • verhoogde geluidsbelasting
    • schadelijke lasrook en -gassen
    Neem bij het werken met het apparaat moeten geschikte beschermende kleding dragen. De beschermende kleding moet de moet de volgende eigenschappen hebben:
    • moeilijk ontvlambaar
    • isolerend en droog
    • het hele lichaam bedekkend, onbeschadigd en in goede toestand
    • veiligheidshelm
    • broek zonder omslag
    Onder het dragen van beschermende kleding wordt onder meer verstaan:
    • Het afschermen van ogen en gezicht met een laskap die is uitgerust met de juiste filters ter bescherming tegen UV-straling, hitte en vonken.
    • Het dragen (achter de laskap) van een geschikte lasbril met zijbescherming.
    • Het dragen van stevige schoenen die ook onder vochtige omstandigheden isoleren.
    • Het beschermen van de handen met geschikte handschoenen (elektrisch isolerend, hittebestendig).
    • Het dragen van gehoorbescherming ter vermindering van de geluidsbelasting en ter voorkoming van gehoorschade.
    Personen, vooral kinderen, tijdens het gebruik van het apparaat en tijdens het lassen van de werkplek weghouden. Bevinden zich echter nog personen in de omgeving, dan:
    • wijst u deze op alle mogelijke gevaren (schade aan de ogen door het licht van de boog, letstel door vonken, schadelijke lasrook, geluidsbelasting, risico van schokken door net- of lasstroom, enz.)
    • stelt u geschikte veiligheidsmiddelen ter beschikking of
    • installeert u geschikte beschermwanden en beschermgordijnen.
    1. Veiligheidsvoorschriften

    Informatie over de geluidsemissie

    Het apparaat produceert in onbelaste toestand en in de afkoelfase na het uitvoeren van werkzaamheden een maximaal geluidsniveau van <80 dB(A) (ref. 1pW) overeenkomstig het maximaal toelaatbare arbeidspunt bij normbelasting volgens EN 60974-1.

    Voor het lassen (en snijden) zelf kan een werkplekspecifieke emissiewaarde niet worden gegeven, aangezien deze afhangt van de lasmethode (of snijmethode) en de omgeving. De emissiewaarde is afhankelijk van uiteenlopende parameters, zoals de toegepaste lasmethode (MIG/MAG-, TIG-lassen), de gekozen stroomsoort (gelijkstroom, wisselstroom), het vermogen, het type werkstuk, de resonantie-eigenschappen van het werkstuk, de omgeving van de werkplek enz.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Gevaar door schadelijke gassen en dampen

    De rook die bij het lassen ontstaat, bevat gassen en dampen die een gevaar voor de gezondheid vormen.

    Lasrook bevat stoffen die volgens monografie 118 van het International Agency for Research on Cancer kanker veroorzaken.

    Ruimte op tijd schoon zuigen.
    Indien mogelijk een lasbrander met geïntegreerd zuigapparaat gebruiken.

    Uw gezicht uit de buurt van lasrook en gassen houden.

    Ontstane rook en schadelijke gassen
    • niet inademen
    • via een geschikte methode afzuigen uit de werkplaats.

    Zorg voor voldoende toevoer van buitenlucht. Controleren of te allen tijde een ventilatie van minstens 20 m³/uur wordt aangehouden.

    Indien de ventilatie onvoldoende is, gebruikt u een lashelm met luchttoevoer.

    Indien niet geheel duidelijk is of de ventilatie voldoende is, vergelijkt u de gemeten emissies van schadelijke stoffen met de toelaatbare grenswaarden.

    Voor de mate waarin de lasrook schadelijk is, zijn onder meer de volgende componenten verantwoordelijk:
    • de metalen die voor het werkstuk worden gebruikt
    • de gebruikte elektroden
    • de toegepaste coatings
    • de gebruikte reinigingsmiddelen, ontvettingsmiddelen e.d.
    • gebruikte lasproces

    De aanwijzingen in de veiligheidsinformatiebladen voor genoemde componenten in acht nemen en de instructies van de fabrikant opvolgen.

    Aanbevelingen voor blootstellingsscenario's en maatregelen voor risicobeheer en voor de identificatie van arbeidsomstandigheden zijn op de website van de European Welding Association in het gedeelte Health & Safety te vinden (https://european-welding.org).

    Ervoor zorgen dat ontvlambare dampen (bijvoorbeeld van oplosmiddelen) niet binnen het stralingsbereik van de boog terechtkomen.

    Als er niet wordt gelast, het ventiel van de beschermgasfles of de hoofdgaskraan sluiten.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Gevaar door vonken

    Vonken kunnen brand en explosies veroorzaken.

    Voer nooit laswerkzaamheden uit in de nabijheid van brandbare materialen.

    Brandbare materialen moeten ten minste 11 meter (36 ft. 1.07 in.) van de boog verwijderd zijn of worden voorzien van een betrouwbare afdekking.

    Houd een geschikte, geteste brandblusser bij de hand.

    Vonken en hete metaaldeeltjes kunnen ook door kleine kieren en openingen in de omgeving terechtkomen. Om te voorkomen dat hierdoor kans op letsel of brandgevaar ontstaat, moet u passende maatregelen nemen.

    Niet lassen in brand- en explosiegevaarlijke omgevingen of aan gesloten tanks, vaten en buizen als deze niet zijn voorbereid conform de nationale en internationale normen.

    Er mag niet worden gelast aan houders waarin zich gassen, drijfstoffen, minerale oliën e.d. bevinden/hebben bevonden. Restanten van deze stoffen kunnen een explosie veroorzaken.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Gevaren door net- en lasstroom

    Een elektrische schok is per definitie levensgevaarlijk en kan dodelijk zijn.

    Spanningvoerende delen binnen en buiten het apparaat niet aanraken.

    Bij MIG/MAG- en TIG-lassen zijn ook de lasdraad, de draadspoel, de aandrijfrollen en alle metalen onderdelen die met de lasdraad in aanraking komen, spanningvoerend.

    De draadtoevoer altijd op een voldoende geïsoleerde ondergrond plaatsen of een geschikte, isolerende unit gebruiken voor de draadtoevoer.

    Om uzelf en anderen adequaat tegen aarde- en massapotentiaal te beschermen, dient u te zorgen voor een voldoende isolerende, droge ondergrond of afdekking. De ondergrond of afdekking moet het gebied tussen lichaam en aarde- of massapotentiaal volledig afdekken.

    Alle kabels en leidingen moeten goed zijn bevestigd, onbeschadigd en geïsoleerd zijn, en een voldoende dikke kern hebben. Losse verbindingen, verschroeide of beschadigde kabels, of leidingen met een te kleine kern direct vervangen.
    Voor elk gebruik de stroomverbindingen handmatig op stevigheid controleren.
    Bij stroomkabels met bajonetplug de stroomkabel minimaal 180° om de lengte-as draaien en voorspannen.

    Kabels en leidingen niet om uw lichaam of om lichaamsdelen wikkelen.

    De laselektrode (staafelektrode, wolfraamelektrode, lasdraad, enz.)
    • nooit ter afkoeling in vloeistoffen onderdompelen
    • nooit aanraken wanneer de stroombron is ingeschakeld.

    Tussen de elektroden van twee lasapparaten kan zich bijvoorbeeld de dubbele nullastspanning van één lasapparaat voordoen. Bij gelijktijdige aanraking van de potentialen van beide elektroden bestaat dan onder bepaalde omstandigheden levensgevaar.

    De net- en apparaatkabels regelmatig door een elektromonteur op een juiste werking van de randaarde laten controleren.

    Om goed te kunnen werken, hebben apparaten van beschermingsklasse I een stroomnetwerk met randaarde evenals een stekkersysteem met randaardecontact nodig.

    Het apparaat op een stroomnetwerk zonder randaarde of een stopcontact zonder randaardecontact aansluiten is alleen toegestaan als alle nationale bepalingen voor veilige scheiding worden nageleefd.
    Anders geldt dit als grof nalatig. De fabrikant is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade.

    Indien noodzakelijk met hiertoe geschikte middelen voor voldoende aarding van het werkstuk zorgen.

    Niet-gebruikte apparaten uitschakelen.

    Bij werkzaamheden op hoogte een valbeschermingsuitrusting dragen.

    Voor u werkzaamheden aan het apparaat uitvoert, moet u het apparaat uitschakelen en de netstekker uit de wandcontactdoos halen.

    Een duidelijk leesbaar en begrijpelijk waarschuwingsbord plaatsen om te voorkomen dat de netstekker opnieuw in de wandcontactdoos wordt gestoken en het apparaat weer wordt ingeschakeld.

    Na het openen van het apparaat:
    • alle onderdelen die elektrisch geladen zijn, ontladen
    • controleren of alle componenten van het apparaat stroomloos zijn.

    Indien u werkzaamheden moet uitvoeren aan spanningvoerende delen, dient u samen te werken met een tweede persoon die de hoofdschakelaar bijtijds kan uitschakelen.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Zwerfstromen

    Als onderstaande aanwijzingen niet worden opgevolgd, ontstaan er mogelijk zwerfstromen. Deze kunnen het volgende veroorzaken:
    • brand
    • oververhitting van onderdelen die in contact staan met het werkstuk
    • beschadiging van randaardeleidingen
    • beschadiging van het apparaat en andere elektrische installaties

    Voor een stevige verbinding tussen de werkstukklem en het werkstuk zorgen.

    De werkstukklem zo dicht mogelijk bij de plaats waar u gaat lassen, bevestigen.

    Het apparaat zodanig plaatsen dat het voldoende is geïsoleerd voor een elektrisch geleidende omgeving, zoals voor een geleidende bodem of geleidende onderstellen.

    Bij het gebruik van stroomverdelers, units met een dubbele kop enz. rekening houden met het volgende: Ook de elektrode van de niet-gebruikte lastoorts/elektrodenhouder is spanningvoerend. Voor een voldoende geïsoleerde opslagpositie voor de niet-gebruikte lastoorts/elektrodenhouder zorgen.

    Bij geautomatiseerde MIG/MAG-toepassingen moet de elektrode goed geïsoleerd van de lasdraadhouder, grote spoel of draadspoel naar de draadtoevoer worden geleid.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    EMV-apparaatclassificaties

    Apparaten van emissieklasse A:
    • zijn uitsluitend bedoeld voor toepassing in industriegebieden;
    • kunnen in andere gebieden leidinggebonden storingen of storingen door straling veroorzaken.
    Apparaten van emissieklasse B:
    • voldoen aan de emissievereisten voor woon- en industriegebieden. Dit geldt ook voor woongebieden waar de energievoorziening is gebaseerd op het openbare laagspanningsnet.

    EMV-apparaatclassificatie volgens kenplaatje of technische gegevens.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    EMV-maatregelen

    In uitzonderlijke gevallen kan er, ondanks het naleven van de emissiegrenswaarden, sprake zijn van beïnvloeding van het geëigende gebruiksgebied (bijvoorbeeld als zich op de installatielocatie gevoelige apparatuur bevindt of als de installatielocatie is gelegen in de nabijheid van radio- of televisieontvangers).
    In dit geval is de gebruiker verplicht adequate maatregelen te treffen om de storing op te heffen.

    Controleer en beoordeel of de immuniteit van installaties in de omgeving van het apparaat in overeenstemming is met de nationale en internationale voorschriften. Voorbeelden van storingsgevoelige installaties die door het apparaat beïnvloed kunnen worden:
    • Veiligheidsvoorzieningen
    • Netkabels, signaalkabels en kabels voor gegevensoverdracht
    • Data- en telecommunicatie-installaties
    • Meet- en kalibratie-installaties
    Ondersteunende maatregelen ter voorkoming van EMV-problemen:
    1. Netvoeding
      • Treden er, ondanks reglementaire aansluiting op het elektriciteitsnet, elektromagnetische storingen op, tref dan extra maatregelen (gebruik bijvoorbeeld een geschikt netfilter).
    2. Laskabels
      • Houd ze zo kort mogelijk.
      • Laat ze dicht bij elkaar lopen (ook ter voorkoming van EMF-problemen).
      • Leg ze ver verwijderd van andere leidingen.
    3. Potentiaalvereffening
    4. Aarding van het werkstuk
      • Breng, indien noodzakelijk, via geschikte condensatoren een aardeverbinding tot stand.
    5. Afscherming, indien noodzakelijk
      • Scherm andere installaties in de omgeving af.
      • Scherm de complete lasinstallatie af.
    1. Veiligheidsvoorschriften

    EMF-maatregelen

    Elektromagnetische velden kunnen nog onbekende schade aan de gezondheid veroorzaken:
    • Gevolgen voor de gezondheid van personen die zich in de nabijheid bevinden, bijvoorbeeld dragers van pacemakers en hoortoestellen.
    • Dragers van pacemakers moeten zich door hun arts laten adviseren voordat zij zich in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat en het lasproces begeven.
    • De afstand tussen de laskabels en het hoofd/lichaam van de lasser moet om veiligheidsredenen zo groot mogelijk worden gehouden.
    • Laskabels en slangenpakketten niet over de schouder dragen en niet om het lichaam of lichaamsdelen wikkelen.
    1. Veiligheidsvoorschriften

    Bijzondere gevaren

    Handen, haren, kledingstukken en gereedschappen uit de buurt houden van bewegende onderdelen zoals:
    • ventilatoren
    • tandwielen
    • rollen
    • aandrijfassen
    • draadspoelen en lasdraden

    Uw handen niet in de draaiende tandwielen van de draadaandrijving of in draaiende machineonderdelen steken.

    Afdekkingen en zijdelen mogen uitsluitend worden geopend/verwijderd gedurende het uitvoeren van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden.

    Tijdens het gebruik:
    • Controleren of alle afdekkingen zijn gesloten en alle zijdelen correct zijn gemonteerd.
    • Alle afdekkingen en zijdelen gesloten houden.

    Het uitsteken van de lasdraad uit de lastoorts levert een hoog risico op letsel op (verwondingen aan handen, gezicht, ogen enz.).

    Daarom altijd de lastoorts weghouden van het lichaam (apparaten met draadaanvoerunit) en een geschikte veiligheidsbril gebruiken.

    Het werkstuk tijdens en na het lassen niet aanraken i.v.m. verbrandingsgevaar.

    Van afkoelende werkstukken kan slak afspringen. Daarom ook bij het nabewerken van werkstukken de voorgeschreven beschermende uitrusting dragen en ervoor zorgen dat andere personen voldoende zijn beschermd.

    Lastoortsen en andere uitrustingscomponenten met een hoge bedrijfstemperatuur laten afkoelen voordat u ermee gaat werken.

    In ruimtes met een verhoogd risico op brand of explosie gelden bijzondere voorschriften.
    - geldende nationale en internationale bepalingen in acht nemen.

    Stroombronnen voor werkzaamheden in ruimten met een verhoogd elektrisch risico (bijvoorbeeld ketels) moeten zijn voorzien van het symbool (Safety). De stroombron zelf mag zich echter niet in zulke ruimten bevinden.

    Verbrandingsgevaar door uittredend koelmiddel. Het koelapparaat uitschakelen voordat u de aansluiting van de koelmiddeltoevoer/-afvoer afkoppelt.

    Bij het werken met koelmiddel de aanwijzingen op het veiligheidsinformatieblad voor het koelmiddel in acht nemen. U kunt het veiligheidsinformatieblad aanvragen via de servicedienst van de fabrikant of downloaden op diens website.

    Gebruik voor het kraantransport van apparaten uitsluitend geschikte lastopnamemiddelen van de fabrikant.

    • Bevestig kettingen of kabels aan alle hiervoor bestemde ophangpunten op het geschikte lastopnamemiddel.
    • De kettingen of kabels moeten een zo klein mogelijke afwijking van hun loodrechte stand hebben.
    • Verwijder gasflessen en draadtoevoer (MIG/MAG- en TIG-apparaten).

    Bij kraanophanging van de draadaanvoer tijdens het lassen altijd een geschikte, isolerende draadaanvoerophanging gebruiken (MIG/MAG- en TIG-apparaten).

    Als het apparaat is voorzien van een draagriem of -greep, mag deze uitsluitend worden gebruikt om het apparaat met de hand te dragen. De draagriem/-greep is niet geschikt voor transport van het apparaat per kraan, vorkheftruck of ander mechanisch hefwerktuig.

    Alle aanslagmiddelen (riemen, beugels, kettingen enz.) die voor het transport van het apparaat of onderdelen ervan worden gebruikt, moeten regelmatig worden gecontroleerd (bijvoorbeeld op mechanische beschadigingen, corrosie en aantasting door omgevingsinvloeden).
    Interval en omvang van deze controles moeten minimaal voldoen aan de geldende nationale normen en richtlijnen.

    Bij gebruik van een adapter voor de beschermgasaansluiting bestaat het gevaar dat er onopgemerkt kleur- en reukloos beschermgas vrijkomt. Het is daarom verstandig om vóór het monteren de schroefdraad aan apparaatzijde van de adapter voor de beschermgasaansluiting met geschikte Teflon-tape te omwikkelen.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Eisen aan het beschermgas

    Vooral bij ringleidingen kan verontreinigd beschermgas leiden tot schade aan de apparatuur en tot een vermindering van de laskwaliteit.
    Het beschermgas moet aan de volgende kwaliteitseisen voldoen:
    • Deeltjesgrootte van vaste stoffen <  40 µm
    • Druk-dauwpunt <  -20 °C
    • Max. oliegehalte <  25 mg/m³

    Gebruik indien nodig filters!

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Gevaar door beschermgasflessen

    Beschermgasflessen bevatten gas onder druk. Beschadigde flessen kunnen exploderen. Aangezien beschermgasflessen deel uitmaken van de lasuitrusting, moet er uiterst voorzichtig mee worden omgegaan.

    Stel beschermgasflessen met verdicht gas niet bloot aan te grote hitte, mechanisch geweld, slak, open vuur, vonken en lasbogen.

    Monteer beschermgasflessen altijd loodrecht en volgens de handleiding, zodat ze niet om kunnen vallen.

    Houd beschermgasflessen uit de buurt van elektrische stroomkringen (van het lasapparaat en andere apparatuur).

    Hang nooit een lastoorts op aan een beschermgasfles.

    Raak een fles met beschermgas nooit aan met een laselektrode.

    Explosiegevaar - voer nooit laswerkzaamheden uit aan een beschermgasfles onder druk.

    Gebruik uitsluitend beschermgasflessen die geschikt zijn voor de specifieke werkzaamheden. Gebruik alleen bijbehorende, geschikte accessoires (regelaars, slangen, fittingen, enz.). Gebruik beschermgasflessen en accessoires alleen als deze in goede staat zijn.

    Draai bij het openen van het ventiel van de fles met beschermgas het gezicht weg van de uitlaat.

    Wordt er niet gelast, sluit dan het ventiel van de beschermgasfles.

    Laat bij niet-aangesloten beschermgasflessen de kap op het ventiel zitten.

    Houd u aan de aanwijzingen van de fabrikant van de beschermgasfles en de accessoires, en neem de betreffende nationale en internationale bepalingen in acht.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Gevaar op uitstromend beschermgas

    Verstikkingsgevaar door ongecontroleerd uitstromen van beschermgas

    Dit kleur- en geurloze beschermgas kan bij uitstromen in de omgevingslucht het aanwezige zuurstof verdringen.

    • Zorg voor voldoende aanvoer van frisse lucht - ventilatievolume van minimaal 20 m³/uur
    • Volg de veiligheids- en onderhoudsinstructies van de beschermgasfles of hoofdgaskraan op
    • Wordt er niet gelast, sluit dan het ventiel van de beschermgasfles of de hoofdgaskraan.
    • De beschermgasfles of hoofdgaskraan moet voor ieder gebruik gecontroleerd worden op eventueel ongecontroleerd uitstromend gas.
    1. Veiligheidsvoorschriften

    Veiligheidsmaatregelen op de opstelplaats en bij transport

    Een omvallend apparaat kan resulteren in levensgevaar! Plaats het apparaat stabiel op een vlakke, vaste ondergrond.
    • Een hellingshoek van maximaal 10° is toelaatbaar.
    In brand- en explosiegevaarlijke ruimten gelden bijzondere voorschriften.
    • Houd u aan de betreffende nationale en internationale bepalingen.

    Zorg er door middel van instructies en controles binnen het bedrijf voor dat de omgeving van de werkplek altijd schoon en overzichtelijk is.

    Plaats en gebruik het apparaat uitsluitend volgens de op het kenplaatje aangeduide beschermingsklasse.

    Bij het opstellen van het apparaat een vrije ruimte van 0,5 m (1 ft. 7,69 in.) rondom aanhouden, zodat de koellucht ongehinderd kan in- en uitstromen.

    Zorg er bij het transport van het apparaat voor dat u zich houdt aan de geldende nationale en regionale richtlijnen en veiligheidsvoorschriften. Dit geldt met name voor de richtlijnen met betrekking tot potentiële gevaren bij verzending en transport.

    Actieve apparaten niet optillen of transporteren. Schakel apparaten altijd uit voordat u ze optilt of transporteert!

    Tap het koelmiddel altijd volledig af voordat u het apparaat transporteert. Demonteer vóór transport bovendien de volgende onderdelen:
    • Draadtoevoer
    • Draadspoel
    • Beschermgasfles

    Stel het apparaat na transport niet meteen in dienst, maar voer eerst een grondige visuele controle uit. Laat eventuele beschadigingen vóór de inbedrijfname door vakkundig onderhoudspersoneel repareren.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Veiligheidsmaatregelen bij normaal gebruik

    U mag uitsluitend met het apparaat werken als alle veiligheidsvoorzieningen volledig operationeel zijn. Zijn de veiligheidsvoorzieningen niet volledig operationeel, dan levert dit gevaar op voor:
    • het leven van de gebruiker of dat van derden;
    • het apparaat en andere bezittingen van de gebruiker;
    • de efficiëntie van het werken met het apparaat.

    Laat niet volledig operationele veiligheidsvoorzieningen repareren voordat u het apparaat inschakelt.

    Veiligheidsvoorzieningen nooit omzeilen of buiten werking stellen.

    Voordat u het apparaat inschakelt, dient u te controleren of er niemand gevaar loopt.

    Controleer ten minste eenmaal per week of het apparaat zichtbare schade vertoont en of de veiligheidsvoorzieningen naar behoren werken.

    Bevestig beschermgasflessen altijd op de juiste manier en verwijder ze van tevoren bij kraantransport.

    Op grond van de eigenschappen (mate van elektrische geleidbaarheid en brandbaarheid, vorstbeschermingsgraad, combineerbaarheid met bepaalde grondstoffen enz.) is alleen het originele koelmiddel van de fabrikant geschikt voor gebruik in onze apparaten.

    Gebruik uitsluitend een geschikt origineel koelmiddel van de fabrikant.

    Vermeng het originele koelmiddel van de fabrikant niet met andere koelmiddelen.

    Sluit alleen systeemcomponenten van de fabrikant op het koelcircuit aan.

    Gebruikt u toch andere systeemcomponenten of een ander koelmiddel en ontstaat hierdoor schade, dan is de fabrikant hiervoor niet aansprakelijk en vervalt elke aanspraak op garantie.

    Cooling Liquid FCL 10/20 is niet ontvlambaar. Koelmiddel op basis van ethanol is onder bepaalde omstandigheden ontvlambaar. Vervoer het koelmiddel alleen in gesloten, originele houders en houd het verwijderd van mogelijke ontstekingsbronnen.

    Voer afgewerkt koelmiddel af volgens de geldende nationale en internationale voorschriften. U kunt het veiligheidsinformatieblad aanvragen via de servicedienst van de fabrikant of downloaden op diens website.

    Controleer, voordat u begint met lassen, altijd de stand van het koelmiddel in het apparaat in afgekoelde toestand.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Inbedrijfname, onderhoud en reparatie

    Mijd niet-originele onderdelen; hiervan kan niet worden gewaarborgd dat ze voldoende robuust en veilig zijn geconstrueerd/geproduceerd.

    • Gebruik alleen originele vervangingsonderdelen (dit geldt ook voor genormeerde onderdelen).
    • Breng zonder toestemming van de fabrikant geen wijzigingen aan het apparaat aan.
    • Onderdelen die niet in onberispelijke staat verkeren, dient u direct te vervangen.
    • Geef bij bestellingen op: de exacte benaming en het onderdeelnummer volgens de onderdelenlijst, het serienummer van uw apparaat.

    De behuizingschroeven geven de randaardeverbinding voor de aarding van de behuizingonderdelen weer.
    Gebruik altijd het correcte aantal originele behuizingschroeven met het aangegeven aanhaalmoment.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Veiligheidscontrole

    De fabrikant raadt aan om ten minste eenmaal per 12 maanden een veiligheidscontrole aan het apparaat uit te laten voeren.

    De fabrikant raadt bovendien aan de gebruikte lasapparaten te kalibreren, eveneens om de 12 maanden.

    In de volgende gevallen wordt een veiligheidscontrole door een gekwalificeerde elektromonteur aanbevolen:
    • na het aanbrengen van wijzigingen
    • na installatie of ombouw
    • na het uitvoeren van reparaties en onderhoud
    • na een periode van maximaal twaalf maanden

    Voor de veiligheidscontrole dient u zich aan de geldende nationale en internationale normen en richtlijnen te houden.

    Voor meer informatie over het uitvoeren van veiligheidscontroles en kalibraties kunt u zich wenden tot de servicedienst. Deze verstrekt u op verzoek alle noodzakelijke documentatie.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Afvoer van oude apparaten

    Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur moet conform EU-richtlijnen en nationale wetgeving gescheiden worden ingezameld en op een milieuvriendelijke manier worden gerecycled. Gebruikte apparaten moeten bij de distributeur of bij een erkend plaatselijk inzamelpunt worden ingeleverd. Door oude apparaten correct af te voeren, kunnen grondstoffen worden hergebruikt en de negatieve invloed op de gezondheid en het milieu worden beperkt.

    Verpakkingsmaterialen
    • Gescheiden inzamelen
    • Neem de lokaal geldende voorschriften in acht
    • Verminder het volume van de doos
    1. Veiligheidsvoorschriften

    Veiligheidssymbolen

    Apparaten met CE-aanduiding voldoen aan de eisen die in de richtlijnen voor laagspanningscompatibiliteit en elektromagnetische compatibiliteit worden gesteld (zoals de relevante productnormen van de normenreeks EN 60 974).

    Fronius International GmbH verklaart dat het apparaat voldoet aan richtlijn 2014/53/EU. De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is online beschikbaar op: http://www.fronius.com

    Apparaten die zijn voorzien van het CSA-testsymbool voldoen aan de eisen van de relevante Canadese en Amerikaanse normen.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Gegevensbescherming

    De gebruiker is zelf verantwoordelijk voor het beveiligen van gegevens die afwijken van de fabrieksinstellingen. Voor schade die ontstaat door gewiste persoonlijke instellingen is de fabrikant niet aansprakelijk.

    1. Veiligheidsvoorschriften

    Auteursrecht

    Het auteursrecht op deze handleiding berust bij de fabrikant.

    De tekst en afbeeldingen komen overeen met de technische stand van zaken bij het ter perse gaan, wijzigingen voorbehouden.
    Wij stellen uw suggesties voor verbeteringen en uw feedback over eventuele onjuistheden in de handleiding zeer op prijs.

    Algemene informatie

    Algemeen

    Apparaatconcept

    De stroombron TransSteel (TSt) 2200 is een geheel gedigitaliseerde, door een microprocessor gestuurde stroombron.

    Deze stroombron is ontworpen voor staallassen en kan voor de volgende lasprocedures worden gebruikt:
    • MIG/MAG-lassen
    • Elektrodelassen
    • TIG-lassen met aanraakontsteking

    De centrale besturings- en regeleenheid van de stroombron is gekoppeld aan een digitale signaalprocessor. De centrale besturings- en regeleenheid en de signaalprocessor sturen het gehele lasproces.
    Tijdens het lasproces worden steeds actuele gegevens gemeten; op veranderingen wordt meteen gereageerd. De gewenste condities worden in stand gehouden door ingenieuze regelalgoritmen.

    1. Algemene informatie

    Algemeen

    Apparaatconcept

    De stroombron TransSteel (TSt) 2200 is een geheel gedigitaliseerde, door een microprocessor gestuurde stroombron.

    Deze stroombron is ontworpen voor staallassen en kan voor de volgende lasprocedures worden gebruikt:
    • MIG/MAG-lassen
    • Elektrodelassen
    • TIG-lassen met aanraakontsteking

    De centrale besturings- en regeleenheid van de stroombron is gekoppeld aan een digitale signaalprocessor. De centrale besturings- en regeleenheid en de signaalprocessor sturen het gehele lasproces.
    Tijdens het lasproces worden steeds actuele gegevens gemeten; op veranderingen wordt meteen gereageerd. De gewenste condities worden in stand gehouden door ingenieuze regelalgoritmen.

    1. Algemene informatie
    2. Algemeen

    Apparaatconcept

    De stroombron TransSteel (TSt) 2200 is een geheel gedigitaliseerde, door een microprocessor gestuurde stroombron.

    Deze stroombron is ontworpen voor staallassen en kan voor de volgende lasprocedures worden gebruikt:
    • MIG/MAG-lassen
    • Elektrodelassen
    • TIG-lassen met aanraakontsteking

    De centrale besturings- en regeleenheid van de stroombron is gekoppeld aan een digitale signaalprocessor. De centrale besturings- en regeleenheid en de signaalprocessor sturen het gehele lasproces.
    Tijdens het lasproces worden steeds actuele gegevens gemeten; op veranderingen wordt meteen gereageerd. De gewenste condities worden in stand gehouden door ingenieuze regelalgoritmen.

    1. Algemene informatie
    2. Algemeen

    De functie "Begrenzing vermogenslimiet"

    Het apparaat beschikt over de veiligheidsfunctie "Begrenzing vermogenslimiet".

    De functie is alleen bij de lasprocedure MIG/MAG standaard synergisch lassen beschikbaar.

    Hoe het werkt:
    Om te voorkomen dat de lichtboog uitvalt tijdens lassen op het maximale vermogen van de stroombron, verlaagt de stroombron het lasvermogen wanneer dat nodig is. De gereduceerde parameters worden op het bedieningspaneel weergegeven tot de volgende lasstart of de volgende parameterwijziging.

    Het resultaat hiervan is:
    • een nauwkeurig lasproces,
    • een hoge reproduceerbaarheid van alle gebeurtenissen,
    • uitstekende laseigenschappen.

    Zodra de functie actief is, knippert op het bedieningspaneel de parameter voor de draadsnelheid.

    Het knipperen duurt tot de volgende lasstart of tot de volgende parameterwijziging.

    1. Algemene informatie
    2. Algemeen

    Toepassingsgebieden

    MIG/MAG-lassen
    TIG-lassen
    Elektrodelassen
    1. Algemene informatie
    2. Algemeen

    Waarschuwingen op het apparaat

    Op de stroombron bevinden zich waarschuwingen en veiligheidssymbolen. Deze waarschuwingen en veiligheidssymbolen mogen niet worden verwijderd of overgeschilderd. De waarschuwingen en symbolen waarschuwen voor een verkeerde bediening die kan resulteren in ernstig letsel en zware materiële schade.

    Lassen is gevaarlijk. Voor een goede werking van het apparaat moet aan de volgende basisvoorwaarden worden voldaan:
    • Voldoende kwalificatie voor het lassen
    • Geschikte beschermingsmiddelen
    • Onbevoegde personen uit de buurt van de stroombron en het lasproces houden
    De beschreven functies pas gebruiken nadat de volgende documenten volledig zijn gelezen en begrepen:
    • deze gebruiksaanwijzing
    • alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten, in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften

    Afgedankte apparaten niet met het huisvuil meegeven, maar volgens de geldende veiligheidsvoorschriften afvoeren.

    Handen, haren, kledingstukken en gereedschappen uit de buurt houden van bewegende onderdelen zoals:
    • tandwielen
    • aandrijfrollen
    • draadspoelen en draadelektroden

    Uw handen niet in de draaiende tandwielen van de draadaandrijving of in draaiende machineonderdelen steken.

    Afdekkingen en zijdelen mogen uitsluitend worden geopend/verwijderd gedurende het uitvoeren van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden.

    1. Algemene informatie
    2. Algemeen

    Beschrijving van de waarschuwingen op het apparaat

    Bij bepaalde apparaatuitvoeringen zijn waarschuwingen op het apparaat aangebracht.

    De rangschikking van de symbolen kan verschillen.

    !
    Waarschuwing! Let op!
    De symbolen stellen mogelijke gevaren voor.
    A
    Aandrijfrollen kunnen vingers beschadigen.
    B
    Lasdraad en aandrijfdelen staan tijdens het bedrijf onder lasspanning.
    Handen en metalen voorwerpen uit de buurt houden!
    1.
    Een elektrische schok kan dodelijk zijn.
    1.1
    Droge, geïsoleerde handschoenen dragen. De draadelektrode niet met blote handen aanraken. Geen natte of beschadigde handschoenen dragen.
    1.2
    Als bescherming tegen een elektrische schok een onderlaag gebruiken die van de bodem en het werkbereik is geïsoleerd.
    1.3
    Voor u werkzaamheden aan het apparaat uitvoert, moet u het apparaat uitschakelen en de netstekker uit de wandcontactdoos trekken of de stroomvoorziening loskoppelen.
    2.
    Het inademen van lasrook kan schadelijk zijn voor de gezondheid.
    2.1
    Uw gezicht uit de buurt van lasrook houden.
    2.2
    Geforceerde ventilatie of een lokale afzuiging gebruiken om de lasrook te verwijderen.
    2.3
    Lasrook met een ventilator verwijderen.
    3
    Lasvonken kunnen een explosie of brand veroorzaken.
    3.1
    Brandbaar materiaal uit de buurt van het lasproces houden. Geen laswerkzaamheden uitvoeren in de buurt van brandbaar materiaal.
    3.2
    Lasvonken kunnen leiden tot brand. Brandblusser gereedhouden. Er eventueel voor zorgen dat een opzichter klaarstaat die de brandblusser kan bedienen.
    3.3
    Niet op vaten of gesloten accubehuizingen lassen.
    4.
    Lichtboogstralen kunnen de ogen verbranden en de huid beschadigen.
    4.1
    Hoofdbedekking en beschermbril dragen. Gehoorbescherming en hemdskraag met knoop dragen. Een lashelm met de juiste kleur gebruiken. Het hele lichaam met geschikte beschermkleding bedekken.
    5.
    Voor werkzaamheden aan de machine of het lassen:
    vertrouwd raken met het apparaat en de instructies lezen!
    6.
    De sticker met waarschuwingen niet verwijderen of overschilderen.
    *
    Bestelnummer van de fabrikant op de sticker

    Bedieningselementen en aansluitingen

    Bedieningspaneel

    Algemeen

    Vanwege software-updates kunnen er functies op uw apparaat beschikbaar zijn die niet in deze gebruiksaanwijzing beschreven staan of omgekeerd.
    Daarnaast kunnen afzonderlijke afbeeldingen licht afwijken van de bedieningselementen op uw apparaat. De werking van deze bedieningselementen is echter gelijk.

    1. Bedieningselementen en aansluitingen

    Bedieningspaneel

    Algemeen

    Vanwege software-updates kunnen er functies op uw apparaat beschikbaar zijn die niet in deze gebruiksaanwijzing beschreven staan of omgekeerd.
    Daarnaast kunnen afzonderlijke afbeeldingen licht afwijken van de bedieningselementen op uw apparaat. De werking van deze bedieningselementen is echter gelijk.

    1. Bedieningselementen en aansluitingen
    2. Bedieningspaneel

    Algemeen

    Vanwege software-updates kunnen er functies op uw apparaat beschikbaar zijn die niet in deze gebruiksaanwijzing beschreven staan of omgekeerd.
    Daarnaast kunnen afzonderlijke afbeeldingen licht afwijken van de bedieningselementen op uw apparaat. De werking van deze bedieningselementen is echter gelijk.

    1. Bedieningselementen en aansluitingen
    2. Bedieningspaneel

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    U dient dit document te lezen en te begrijpen.

    Alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten, in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften, moeten gelezen en begrepen worden.

    1. Bedieningselementen en aansluitingen
    2. Bedieningspaneel

    Bedieningspaneel

    (1)
    Weergave Puntlassen
    De weergave Puntlassen brandt als:
    • de bedrijfsmodus puntlassen / intervallassen is geselecteerd
    • in het setup-menu de parameter SPt (puntentijd / intervallastijd) niet op OFF (UIT) is ingesteld
    (2)
    Weergave 2-takt-intervallassen
    De weergave voor het 2-takt-intervallassen licht op wanneer:
    • de bedrijfsmodus puntlassen / intervallassen is geselecteerd en
    • de parameter SPb (pauzetijd punt-/intervallassen) is ingesteld op een waarde die groter is dan 0 en
    • de parameter Int (interval) op 2T is ingesteld
    (3)
    Weergave 4-takt-intervallassen
    De weergave voor het 4-takt-intervallassen licht op wanneer:
    • de bedrijfsmodus puntlassen / intervallassen is geselecteerd en
    • de parameter SPb (pauzetijd punt-/intervallassen) is ingesteld op een waarde die groter is dan 0 en
    • de parameter Int (interval) op 4T is ingesteld
    (4)
    Weergave Hold
    Aan het einde van het lassen worden telkens de actuele werkelijke waarden van lasstroom en lasspanning opgeslagen; de weergave HOLD licht op
    (5)
    Weergave Overgangslichtboog
    Tussen de kortlicht- en sproeilichtboog ontstaat een bespatte overgangslichtboog. Om op dit kritische gebied te wijzen, gaat de weergave Overgangslichtboog branden
    (6)
    Toets Parameterkeuze links
    voor het selecteren van de volgende parameters
    Bij de gekozen parameter is het bijbehorende symbool verlicht.
    Plaatdikte in mm of inch (Synergic-parameter)1
    Als de te kiezen lasstroom bijvoorbeeld onbekend is, is de aanduiding van de plaatdikte voldoende. Door het opgeven van een Synergic-parameter worden ook de overige Synergic-parameters automatisch ingesteld.
    Lasstroom in ampère (Synergic-parameter)1
    Voor aanvang van het lassen wordt automatisch een richtwaarde getoond op basis van de geprogrammeerde parameters. Tijdens het lassen wordt de actuele werkelijke waarde getoond.
    Draadsnelheid in m/min of ipm (Synergic-parameter)1

    1 Indien een van deze parameters is gekozen, worden bij de lasprocedure MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen op basis van de Synergic-functie automatisch alle andere parameters ingesteld.

    (7)
    Toets Parameterkeuze rechts
    voor het selecteren van de volgende parameters
    Bij de gekozen parameter is het bijbehorende symbool verlicht.
    Lengtecorrectie lichtboog
    voor de correctie van de lichtbooglengte
    Lasstroom in V (Synergic-parameter)1
    Voor aanvang van het lassen wordt automatisch een richtwaarde getoond op basis van de geprogrammeerde parameters. Tijdens het lassen wordt de actuele werkelijke waarde getoond.
    Dynamiek
    voor het beïnvloeden van de kortsluitdynamiek op het moment van de druppelovergang
    - ... hardere en stabielere lichtboog
    0 ... neutrale lichtboog
    + ... zwakke en spatarme lichtboog
    Real Energy Input2
    voor het weergeven van de energie die tijdens het lassen is ingebracht

    1 Indien een van deze parameters is gekozen, worden bij de lasprocedure MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen op basis van de Synergic-functie automatisch alle andere parameters ingesteld.

    2 Deze parameter kan alleen worden geselecteerd als de parameter EnE in niveau 2 van het setup-menu op ON (AAN) staat.
    Tijdens het lassen wordt de waarde voortdurend verhoogd overeenkomstig de constant toenemende energietoevoer.
    Tot de volgende lasstart of het opnieuw inschakelen van de stroombron blijft de definitieve waarde aan het einde van het lassen opgeslagen - de weergave HOLD brandt.

    (8)
    Toets Gascontrole
    Om de vereiste hoeveelheid gas in te stellen op de gasdrukregelaar / om het slangenpakket van de gasbrander te vullen met beschermgas.
    Na het indrukken van de toets Gascontrole stroomt er 30 seconden lang beschermgas naar buiten. U kunt het uitstromen voortijdig beëindigen door nogmaals op de toets te drukken.
    (9)
    Stelwiel links
    voor het wijzigen van de parameters Plaatdikte, Lasstroom en Draadsnelheid en voor het wijzigen van de parameters in het setup-menu
    (10)
    Toets voor stroomloze draadinvoer
    voor gasloze draadinvoer in het slangenpakket van de lasbrander.
    De draadaandrijving functioneert met draadinvoersnelheid tijdens het ingedrukt houden van de toets
    (11)
    Stelwiel rechts
    voor het wijzigen van de parameters Lengtecorrectie lichtboog, Lasspanning en Dynamiek en voor het wijzigen van de parameters in het setup-menu
    (12)
    Toets Materiaalsoort
    voor het kiezen van het gebruikte toevoegmateriaal
    (13)
    Opslagtoets 1
    voor het opslaan van een EasyJob
    (14)
    Toets Bedrijfsmodus
    voor het selecteren van de bedrijfsmodus
       2T = 2-taktbedrijf
       4T = 4-taktbedrijf
       S 4 T = speciaal 4-taktbedrijf
       Puntlassen / intervallassen
    (15)
    Toets Draaddiameter
    voor het kiezen van de gebruikte draaddiameter
    (16)
    Opslagtoets 2
    voor het opslaan van een EasyJob
    (17)
    Toets Procedure 
    voor het selecteren van de procedure
    HANDMATIG = MIG/MAG-standaard-handmatig-lassen
    SYNERGIC = MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen
    STICK = elektrodelassen
    WIG = TIG-lassen
    (18)
    Toets Beschermgas
    voor het kiezen van het gebruikte beschermgas
    1. Bedieningselementen en aansluitingen
    2. Bedieningspaneel

    Toetsenblokkering

    Om onbedoelde instellingswijzigingen op het bedieningspaneel te voorkomen, kunt u de toetsenblokkering inschakelen. Zolang de toetsenblokkering actief is

    • kunnen er geen instellingen worden gemaakt via het bedieningspaneel
    • kunnen de parameterinstellingen worden weergegeven
    • kan worden geschakeld tussen de EasyJobs als een EasyJob al was geselecteerd voordat de toetsenvergrendeling werd geactiveerd
    Toetsenblokkering activeren / deactiveren:
    1

    Toetsenblokkering actief:
    Op het scherm wordt de melding "CLO | SEd" weergegeven.

    Toetsenblokkering niet actief:
    Op het scherm wordt de melding "OP | En" weergegeven.

    1. Bedieningselementen en aansluitingen

    Aansluitingen, schakelaars en mechanische componenten

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    U dient dit document te lezen en te begrijpen.

    Alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten, in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften, moeten gelezen en begrepen worden.

    1. Bedieningselementen en aansluitingen
    2. Aansluitingen, schakelaars en mechanische componenten

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    U dient dit document te lezen en te begrijpen.

    Alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten, in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften, moeten gelezen en begrepen worden.

    1. Bedieningselementen en aansluitingen
    2. Aansluitingen, schakelaars en mechanische componenten

    Voor- en achterkant van de stroombron

    (1)
    Aansluiting lasbrander
    voor opname van de lasbrander
    (2)
    (-) Stroombus met bajonetsluiting
    dient voor het
    • aansluiten van de massakabel of de poolomkeerder tijdens het MIG/MAG-lassen (afhankelijk van de draadelektrode)
    • aansluiten van de elektrode- of aardkabel bij het elektrodelassen (afhankelijk van elektrodetype)
    • aansluiten van de TIG-lasbrander
    (3)
    Aansluiting TMC (TIG Multi Connector)
    voor het aansluiten van de TIG-lasbrander
    (4)
    (+)-stroombus met bajonetsluiting
    dient voor het
    • aansluiten van de poolomkeerder of de massakabel tijdens het MIG/MAG-lassen (afhankelijk van de draadelektrode)
    • aansluiten van de elektrode- of aardkabel bij het elektrodelassen (afhankelijk van elektrodetype)
    • aansluiten van de aardleiding bij het TIG-lassen
    (5)
    Ventilatie-openingen (luchtafvoeropeningen)
    voor apparaatkoeling
    (6)
    Poolomkeerder
    voor het selecteren van de laspotentiaal die op de MIG/MAG-lasbrander wordt toegepast
    (7)
    Aansluiting beschermgas MIG/MAG
    voor de beschermgastoevoer van de lasbranderaansluiting (1)
    (8)
    Netschakelaar
    voor het in- en uitschakelen van de stroombron
    (9)
    Ventilatie-openingen (luchtinvoeropeningen)
    voor apparaatkoeling, daarachter bevindt zich de luchtfilter
    (10)
    Netkabel met trekontlasting
    niet bij alle apparaatvarianten voorgemonteerd
    (11)
    Aansluiting beschermgas TIG
    voor de beschermgastoevoer van de (-) stroombus (2)
    1. Bedieningselementen en aansluitingen
    2. Aansluitingen, schakelaars en mechanische componenten

    Zijaanzicht

    (1)
    Draadspoelopname D100 met rem
    Voor de opname van gestandaardiseerde draadspoelen met een diameter van max. 100 mm (3,94 in.)
    (2)
    Draadspoelopname D200 met rem
    Voor opname genormeerde draadspoel met een diameter van max. 200 mm (7,87 in.) en een gewicht van max. 6,8 kg (14,99 lbs)
    (3)
    2-rollenaandrijving

    Voor installatie en ingebruikneming

    Algemeen

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.

    U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.

    Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.

    1. Voor installatie en ingebruikneming

    Algemeen

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.

    U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.

    Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.

    1. Voor installatie en ingebruikneming
    2. Algemeen

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.

    U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.

    Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.

    1. Voor installatie en ingebruikneming
    2. Algemeen

    Gebruik overeenkomstig de bedoeling

    De stroombron is uitsluitend bestemd voor elektrodelassen en voor TIG-lassen in combinatie met systeemcomponenten van de fabrikant.
    Ieder ander of afwijkend gebruik geldt als gebruik niet overeenkomstig de bedoeling.
    Voor hierdoor ontstane schade is de fabrikant niet aansprakelijk.

    Tot gebruik overeenkomstig de bedoeling behoort ook
    • het naleven van alle aanwijzingen in de bedieningshandleiding
    • het tijdig uitvoeren van inspectie- en onderhoudswerkzaamheden
    1. Voor installatie en ingebruikneming
    2. Algemeen

    Vereisten aan de installatielocatie

    Het apparaat is getest conform beschermingsklasse IP 23. Dit betekent:
    • bescherming tegen het binnendringen van vaste vreemde lichamen groter dan Ø 12 mm (0.49 inch)
    • bescherming tegen sproeiwater tot een hoek van 60° ten opzichte van de verticale positie

    Conform beschermingsklasse IP 23 kan het apparaat in de buitenlucht worden opgesteld en gebruikt.
    Direct binnendringend vocht (bijvoorbeeld door regen) moet echter worden vermeden.

    GEVAAR!

    Gevaar door omvallende of naar beneden vallende apparaten.

    Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Het apparaat altijd stabiel op een vlakke en vaste ondergrond plaatsen.

    GEVAAR!

    Gevaar van elektrische stroom door elektrisch geleidend stof in het apparaat.

    Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Het apparaat alleen met een gemonteerd luchtfilter gebruiken. Het luchtfilter is een belangrijke veiligheidsvoorziening om beschermingsklasse IP 23 te bereiken.

    Het ventilatiekanaal is een belangrijke veiligheidsvoorziening. Bij het kiezen van de opstelplaats moet erop worden gelet dat de koellucht ongehinderd door de ventilatie-openingen aan de voor- en achterkant in en uit kan blazen. Erop letten dat elektrisch geleidend stof (dat bijvoorbeeld bij het slijpen ontstaat) niet het apparaat wordt ingezogen.

    1. Voor installatie en ingebruikneming
    2. Algemeen

    Netaansluiting

    De apparaten zijn voor de op het kenplaatje aangegeven netspanning geschikt. Is de netkabel of de netstekker bij uw apparaat niet aangebracht, dan moeten deze volgens de nationale normen gemonteerd worden. De beveiliging van de netvoedingskabel vindt u in de technische gegevens.

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door elektrische installatie met onvoldoende elektrische capaciteit.

    Dit kan schade aan eigendommen veroorzaken.

    De netvoedingskabel en de beveiliging daarvan moeten overeenkomstig de aanwezige stroomvoorziening worden aangelegd.
    De technische gegevens op het kenplaatje zijn van toepassing.

    1. Voor installatie en ingebruikneming

    Generatormodus

    Benodigd generatorvermogen

    De stroombronnen zijn geschikt voor gebruik met een generator.

    Voor het bepalen van het benodigde generatorvermogen is het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron vereist.
    Het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron wordt als volgt berekend:
    S1max = I1max x U1

    I1max en U1 volgens het kenplaatje van het apparaat of de technische gegevens.

    Het benodigde schijnbare vermogen van de generator SGEN kan aan de hand van de volgende formule worden berekend:
    SGEN = S1max x 1,35

    Als er niet met maximaal vermogen wordt gelast, kan een kleinere generator worden gebruikt.

    OPMERKING!

    Het schijnbare vermogen van de generator SGEN mag niet kleiner zijn dan het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron!

    Er bij het gebruik van éénfasige apparaten op driefasige generatoren rekening mee houden dat het aangegeven schijnbare vermogen van de generator vaak slechts als geheel via alle drie de fases van de generator ter beschikking zal staan. Eventuele extra informatie over het éénfasige vermogen van de generator kan via de fabrikant van de generator worden verkregen.

    OPMERKING!

    De aangegeven generatorspanning mag in geen geval hoger of lager zijn dan het toegestane bereik van de netspanningstolerantie.

    De gegevens ten aanzien van de netspanningstolerantie vindt u in de paragraaf ‘Technische gegevens’.

    1. Voor installatie en ingebruikneming
    2. Generatormodus

    Benodigd generatorvermogen

    De stroombronnen zijn geschikt voor gebruik met een generator.

    Voor het bepalen van het benodigde generatorvermogen is het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron vereist.
    Het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron wordt als volgt berekend:
    S1max = I1max x U1

    I1max en U1 volgens het kenplaatje van het apparaat of de technische gegevens.

    Het benodigde schijnbare vermogen van de generator SGEN kan aan de hand van de volgende formule worden berekend:
    SGEN = S1max x 1,35

    Als er niet met maximaal vermogen wordt gelast, kan een kleinere generator worden gebruikt.

    OPMERKING!

    Het schijnbare vermogen van de generator SGEN mag niet kleiner zijn dan het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron!

    Er bij het gebruik van éénfasige apparaten op driefasige generatoren rekening mee houden dat het aangegeven schijnbare vermogen van de generator vaak slechts als geheel via alle drie de fases van de generator ter beschikking zal staan. Eventuele extra informatie over het éénfasige vermogen van de generator kan via de fabrikant van de generator worden verkregen.

    OPMERKING!

    De aangegeven generatorspanning mag in geen geval hoger of lager zijn dan het toegestane bereik van de netspanningstolerantie.

    De gegevens ten aanzien van de netspanningstolerantie vindt u in de paragraaf ‘Technische gegevens’.

    1. Voor installatie en ingebruikneming

    Netbeveiligingen

    Instelbare netbeveiligingen

    De netbeveiliging op de voedingsbron begrenst de stroom die de voedingsbron van het stroomnetwerk ontvangt en dus ook de mogelijke lasstroom. Dit voorkomt directe uitschakeling van de automatische zekering (bijv. in de zekeringkast).

    Afhankelijk van de netspanning en de gebruikte automatische zekering kan bij de stroombron de vereiste netbeveiliging worden geselecteerd.

    De volgende tabel laat zien welke netspanningen en zekeringswaarden leiden tot begrenzing van de lasstroom.

    TSt 2200:

    Netspanning
    Landeninstelling
    Zekeringswaarde stroombron

    Begrenzing van de lasstroom

    230 V
    Std
    10 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 145 A; 110 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 125 A; 90 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 180 A; 135 A bij 100%*

    230 V
    Std
    13 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 170 A; 140 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 150 A; 120 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 200 A; 160 A bij 100%*

    230 V
    Std
    16 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 210 A; 150 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 180 A; 130 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 230 A; 170 A bij 100%*

    TSt 2200 MV:

    Netspanning
    Landeninstelling
    Zekeringswaarde stroombron

    Begrenzing van de lasstroom

    120 V
    Std
    10 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 100 A; 75 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 85 A; 55 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 130 A; 95 A bij 100%*

    120 V
    Std
    13 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 105 A; 80 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 90 A; 70 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 135 A; 105 A bij 100%*

    120 V
    US
    15 A

    MIG/MAG-lassen:
    max. 105 A; 80 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 90 A; 70 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 135 A; 105 A bij 100%*

    120 V
    Std
    16 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 115 A; 105 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 100 A; 85 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 140 A; 130 A bij 100%*

    120 V
    US
    20 A

    MIG/MAG-lassen:
    max. 135 A; 105 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 110 A; 90 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 160 A; 130 A bij 100%*

    230 V
    Std
    10 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 145 A; 110 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 125 A; 90 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 180 A; 135 A bij 100%*

    230 V
    Std
    13 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 170 A; 140 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 150 A; 120 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 200 A; 160 A bij 100%*

    230 V
    Std
    16 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 210 A; 150 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 180 A; 130 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 230 A; 170 A bij 100%*

    240 V
    US
    15 A

    MIG/MAG-lassen:
    max. 210 A; 150 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 180 A; 130 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 230 A; 170 A bij 100%*

    De instelling 20 A is alleen mogelijk indien:
    • bij de landeninstelling "US" is geselecteerd
    • de netvoedingskabel beschikt over een 20 A-zekering
    • de stroombron 120 V-netspanning levert

    *

    De 100%-gegevens = tijdelijk onbeperkt lassen, zonder afkoelpauzes.

    De lasstroomspecificaties zijn van toepassing bij een omgevingstemperatuur van 40 °C (104 °F).

    Een veiligheidsuitschakeling voorkomt uitschakeling van de automatische zekering bij hogere lasvermogens. De veiligheidsuitschakeling bepaalt de mogelijke lastijd zonder de automatische zekering te activeren. De servicecode "toF" wordt weergegeven wanneer bij overschrijding van de vooraf berekende lastijd de lasstroom wordt uitgeschakeld. Naast "toF" wordt vanaf dat moment een countdown weergegeven van de resterende wachttijd tot lassen via de stroombron weer mogelijk is. Daarna verdwijnt het bericht en kan de stroombron weer gebruikt worden.

    Afhankelijk van de ingestelde zekering wordt de maximale spanning van het geselecteerde proces beperkt door de veiligheidsuitschakeling. Het kan daarom gebeuren dat opgeslagen werkpunten niet langer lasbaar zijn als ze werden opgeslagen voordat de zekering is ingesteld.

    Als echter wordt gelast met een dergelijk werkpunt, werkt de stroombron op de grenswaarde van de geselecteerde zekering - de vermogensbegrenzing is actief. Het werkpunt moet opnieuw worden opgeslagen volgens de huidige limiet.

    1. Voor installatie en ingebruikneming
    2. Netbeveiligingen

    Instelbare netbeveiligingen

    De netbeveiliging op de voedingsbron begrenst de stroom die de voedingsbron van het stroomnetwerk ontvangt en dus ook de mogelijke lasstroom. Dit voorkomt directe uitschakeling van de automatische zekering (bijv. in de zekeringkast).

    Afhankelijk van de netspanning en de gebruikte automatische zekering kan bij de stroombron de vereiste netbeveiliging worden geselecteerd.

    De volgende tabel laat zien welke netspanningen en zekeringswaarden leiden tot begrenzing van de lasstroom.

    TSt 2200:

    Netspanning
    Landeninstelling
    Zekeringswaarde stroombron

    Begrenzing van de lasstroom

    230 V
    Std
    10 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 145 A; 110 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 125 A; 90 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 180 A; 135 A bij 100%*

    230 V
    Std
    13 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 170 A; 140 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 150 A; 120 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 200 A; 160 A bij 100%*

    230 V
    Std
    16 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 210 A; 150 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 180 A; 130 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 230 A; 170 A bij 100%*

    TSt 2200 MV:

    Netspanning
    Landeninstelling
    Zekeringswaarde stroombron

    Begrenzing van de lasstroom

    120 V
    Std
    10 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 100 A; 75 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 85 A; 55 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 130 A; 95 A bij 100%*

    120 V
    Std
    13 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 105 A; 80 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 90 A; 70 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 135 A; 105 A bij 100%*

    120 V
    US
    15 A

    MIG/MAG-lassen:
    max. 105 A; 80 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 90 A; 70 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 135 A; 105 A bij 100%*

    120 V
    Std
    16 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 115 A; 105 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 100 A; 85 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 140 A; 130 A bij 100%*

    120 V
    US
    20 A

    MIG/MAG-lassen:
    max. 135 A; 105 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 110 A; 90 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 160 A; 130 A bij 100%*

    230 V
    Std
    10 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 145 A; 110 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 125 A; 90 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 180 A; 135 A bij 100%*

    230 V
    Std
    13 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 170 A; 140 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 150 A; 120 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 200 A; 160 A bij 100%*

    230 V
    Std
    16 A

     

    MIG/MAG-lassen:
    max. 210 A; 150 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 180 A; 130 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 230 A; 170 A bij 100%*

    240 V
    US
    15 A

    MIG/MAG-lassen:
    max. 210 A; 150 A bij 100%*
    Elektrodelassen:
    max. 180 A; 130 A bij 100%*
    TIG-lassen:
    max. 230 A; 170 A bij 100%*

    De instelling 20 A is alleen mogelijk indien:
    • bij de landeninstelling "US" is geselecteerd
    • de netvoedingskabel beschikt over een 20 A-zekering
    • de stroombron 120 V-netspanning levert

    *

    De 100%-gegevens = tijdelijk onbeperkt lassen, zonder afkoelpauzes.

    De lasstroomspecificaties zijn van toepassing bij een omgevingstemperatuur van 40 °C (104 °F).

    Een veiligheidsuitschakeling voorkomt uitschakeling van de automatische zekering bij hogere lasvermogens. De veiligheidsuitschakeling bepaalt de mogelijke lastijd zonder de automatische zekering te activeren. De servicecode "toF" wordt weergegeven wanneer bij overschrijding van de vooraf berekende lastijd de lasstroom wordt uitgeschakeld. Naast "toF" wordt vanaf dat moment een countdown weergegeven van de resterende wachttijd tot lassen via de stroombron weer mogelijk is. Daarna verdwijnt het bericht en kan de stroombron weer gebruikt worden.

    Afhankelijk van de ingestelde zekering wordt de maximale spanning van het geselecteerde proces beperkt door de veiligheidsuitschakeling. Het kan daarom gebeuren dat opgeslagen werkpunten niet langer lasbaar zijn als ze werden opgeslagen voordat de zekering is ingesteld.

    Als echter wordt gelast met een dergelijk werkpunt, werkt de stroombron op de grenswaarde van de geselecteerde zekering - de vermogensbegrenzing is actief. Het werkpunt moet opnieuw worden opgeslagen volgens de huidige limiet.

    1. Voor installatie en ingebruikneming

    De draagriem monteren

    De draagriem aan de stroombron monteren

    1
    2
    3
    4
    5
    6
    1. Voor installatie en ingebruikneming
    2. De draagriem monteren

    De draagriem aan de stroombron monteren

    1
    2
    3
    4
    5
    6

    MIG/MAG

    Inbedrijfstelling

    MIG/MAG-lasbrander aansluiten

    1De lasbrander uitrusten vóór aansluiting aan de stroombron, conform de gebruiksaanwijzing van de lasbrander: Slijtagedelen op de lasbrander monteren, draadgeleidekern monteren.
    2
    3De kartelschroef (1) een beetje losschroeven, zodat de lasbrander gemakkelijk in de lasbranderaansluiting kan worden geschoven.
    4
    5

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door een onvolledig geplaatste lasbrander.

    Dit kan schade aan apparatuur veroorzaken.

    Ervoor zorgen dat de lasbrander zich na het inschuiven in de correcte eindpositie bevindt.

    6

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door niet vastgeschroefde lasbrander.

    Dit kan schade aan apparatuur veroorzaken.

    Lasbrander altijd met het aangegeven aanhaalmoment aanhalen.

    1. MIG/MAG

    Inbedrijfstelling

    MIG/MAG-lasbrander aansluiten

    1De lasbrander uitrusten vóór aansluiting aan de stroombron, conform de gebruiksaanwijzing van de lasbrander: Slijtagedelen op de lasbrander monteren, draadgeleidekern monteren.
    2
    3De kartelschroef (1) een beetje losschroeven, zodat de lasbrander gemakkelijk in de lasbranderaansluiting kan worden geschoven.
    4
    5

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door een onvolledig geplaatste lasbrander.

    Dit kan schade aan apparatuur veroorzaken.

    Ervoor zorgen dat de lasbrander zich na het inschuiven in de correcte eindpositie bevindt.

    6

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door niet vastgeschroefde lasbrander.

    Dit kan schade aan apparatuur veroorzaken.

    Lasbrander altijd met het aangegeven aanhaalmoment aanhalen.

    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    MIG/MAG-lasbrander aansluiten

    1De lasbrander uitrusten vóór aansluiting aan de stroombron, conform de gebruiksaanwijzing van de lasbrander: Slijtagedelen op de lasbrander monteren, draadgeleidekern monteren.
    2
    3De kartelschroef (1) een beetje losschroeven, zodat de lasbrander gemakkelijk in de lasbranderaansluiting kan worden geschoven.
    4
    5

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door een onvolledig geplaatste lasbrander.

    Dit kan schade aan apparatuur veroorzaken.

    Ervoor zorgen dat de lasbrander zich na het inschuiven in de correcte eindpositie bevindt.

    6

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door niet vastgeschroefde lasbrander.

    Dit kan schade aan apparatuur veroorzaken.

    Lasbrander altijd met het aangegeven aanhaalmoment aanhalen.

    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    De aandrijfrollen plaatsen

    Om te zorgen voor een optimale ontsluiting van de draadelektrode moeten de aandrijfrollen aan de thermisch te lassen draaddiameter en de draadlegering zijn aangepast.

    1
    2
    3
    4
    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    D100 draadspoel plaatsen

    1
    2
    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    D200-draadspoel plaatsen

    1
    2
    3
    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    Draadelektrode laten inlopen

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door veerwerking van de opgerolde draadelektrode.

    Dit kan letsel veroorzaken.

    Bij het inschuiven van de draadelektrode in de draadaandrijving het uiteinde van de draadelektrode goed vasthouden.

    1
    2
    3
    4
    De contactdruk volgens onderstaande gegevens instellen
    • daardoor raakt de draadelektrode niet vervormd en wordt een vlekkeloos draadtransport gegarandeerd
    Richtwaarden voor de contactdruk met gladde aandrijfrollen:
    • Staal = 3 - 4
    • CrNi = 3 - 4
    Richtwaarden voor de contactdruk met getande aandrijfrollen:
    • Massieve draadelektrode = 3
    • Aluminium = 1 - 3
    5
    6

    Het aansluiten van de netkabel op de stroombron is alleen bij multivoltage-stroombronnen nodig.

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door onverwachts uitstekende draadelektrode bij de draadinvoer.

    Dit kan letsel veroorzaken.

    een geschikte veiligheidsbril gebruiken

    het uiteinde van de lasbrander van gezicht en lichaam weghouden

    het uiteinde van de lasbrander niet op personen richten

    erop letten dat de draadelektrode geen elektrisch geleidende of geaarde delen raakt (zoals behuizingen enz.)

    7
    8
    Werkwijze draadinvoer (draadinvoertoets op het bedieningspaneel indrukken):
    • Toets maximaal één seconde ingedrukt houden (toets kort indrukken): de draadsnelheid blijft tijdens de eerste seconde op 1 m/min of (39.37 ipm)
    • Toets maximaal 2,5 seconden ingedrukt houden: Na één seconde wordt de draadsnelheid in de volgende 1,5 seconde gelijkmatig verhoogd.
    • Toets langer dan 2,5 seconden ingedrukt houden: Na in totaal 2,5 seconden volgt een constante draadaanvoer die overeenkomt met de voor de parameter Fdi ingestelde draadsnelheid.
    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    Gewenste landeninstelling selecteren

    • De landeninstelling van de stroombron bepaalt in welke eenheid (cm + mm of inch) de ingestelde lasparameters worden weergegeven
    • De landeninstelling kan worden gewijzigd in niveau 2 van het setup-menu (parameter SEt)
      • Voor de beschrijving van de parameter SEt en voor het instellen van de parameter SEt zie de paragraaf Setup-menu - niveau 2 vanaf pagina (→)
    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    Gasfles aansluiten

    GEVAAR!

    Gevaar door omvallende gasflessen.

    Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Gasflessen stabiel op een vlakke en vaste ondergrond plaatsen.

    Gasflessen tegen omvallen beveiligen

    De veiligheidsvoorschriften van de gasflesfabrikant opvolgen.

    1
    2
    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    Poolomkeerder aansluiten en aarde-aansluiting maken

    1

    OPMERKING!

    Risico door verkeerd aangesloten poolomkeerder.

    Kan slechte laseigenschappen veroorzaken.

    De poolomkeerder overeenkomstig de draadelektrode aansluiten. Op de verpakking van de draadelektroden kunt u zien of de draadelektroden op (+) of op (-) moeten worden gelast

    2
    3
    1. MIG/MAG
    2. Inbedrijfstelling

    Juiste ligging van de slangenpakketten

    1. MIG/MAG

    Rem van de draadspoelopnamen instellen

    Algemeen

    D200-draadspoelopname:
    Bij het eerste gebruik en na elke vervanging van de draadspoel de rem instellen. Ga hiervoor te werk zoals beschreven in de volgende paragraaf Rem van de draadspoelopname D200 instellen.

    D100-draadspoelopname:
    Bij het eerste gebruik en na elke vervanging van de draadspoel de rem instellen. Ga hiervoor te werk zoals beschreven in de volgende paragraaf Rem van de draadspoelopname D100 instellen

    Nadat de brandertoets is losgelaten (einde van het lasproces, stop van de draadaanvoer) mag de draadspoel niet achterlopen.
    In dit geval de rem instellen.

    1. MIG/MAG
    2. Rem van de draadspoelopnamen instellen

    Algemeen

    D200-draadspoelopname:
    Bij het eerste gebruik en na elke vervanging van de draadspoel de rem instellen. Ga hiervoor te werk zoals beschreven in de volgende paragraaf Rem van de draadspoelopname D200 instellen.

    D100-draadspoelopname:
    Bij het eerste gebruik en na elke vervanging van de draadspoel de rem instellen. Ga hiervoor te werk zoals beschreven in de volgende paragraaf Rem van de draadspoelopname D100 instellen

    Nadat de brandertoets is losgelaten (einde van het lasproces, stop van de draadaanvoer) mag de draadspoel niet achterlopen.
    In dit geval de rem instellen.

    1. MIG/MAG
    2. Rem van de draadspoelopnamen instellen

    Rem van de draadspoelopname D200 instellen

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door uitstekende draadelektrode en bewegende delen.

    Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    De netschakelaar van de stroombron vóór aanvang van de werkzaamheden in de stand - O - zetten en de stroombron van het stroomnetwerk ontkoppelen

    Alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen beveiligen.

    Rem instellen:
    1
    • Rem naar rechts draaien = remwerking wordt versterkt
    • Rem naar links draaien = remwerking wordt beperkt
    1. MIG/MAG
    2. Rem van de draadspoelopnamen instellen

    Rem van de draadspoelopname D100 instellen

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door uitstekende draadelektrode en bewegende delen.

    Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    De netschakelaar van de stroombron voor aanvang van de werkzaamheden in de stand - O - zetten en de stroombron van het stroomnetwerk ontkoppelen

    Alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen beveiligen.

    Rem instellen:
    1Draaien van de kartelschroef (1)
    • De kartelschroef vast aangedraaid = sterke remwerking
    • De kartelschroef licht aangedraaid = geringe remwerking
    1. MIG/MAG

    Beschrijving van de modussen MIG/MAG

    2-taktbedrijf

    De bedrijfsmodus "2-taktbedrijf" is geschikt voor
    • Deelwerk
    • Korte lasnaden
    2-taktbedrijf

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets indrukken
    Brandertoets vasthouden
    Toortstoets loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    I
    Lasstroom
    GPo
    Nastroomtijd gas
    1. MIG/MAG
    2. Beschrijving van de modussen MIG/MAG

    2-taktbedrijf

    De bedrijfsmodus "2-taktbedrijf" is geschikt voor
    • Deelwerk
    • Korte lasnaden
    2-taktbedrijf

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets indrukken
    Brandertoets vasthouden
    Toortstoets loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    I
    Lasstroom
    GPo
    Nastroomtijd gas
    1. MIG/MAG
    2. Beschrijving van de modussen MIG/MAG

    4-taktbedrijf

    De bedrijfsmodus "4-taktbedrijf" is voor langere lasnaden geschikt.

    4-taktbedrijf

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets indrukken
    Toortstoets loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    I
    Lasstroom
    GPo
    Nastroomtijd gas
    1. MIG/MAG
    2. Beschrijving van de modussen MIG/MAG

    Speciaal 4-taktbedrijf

    De bedrijfscyclus "speciaal 4-taktbedrijf" is in het bijzonder geschikt voor het lassen met hogere capaciteit. In de speciale bedrijfscyclus 4-taktbedrijf start de lichtboog met geringe capaciteit, wat een eenvoudigere stabilisering van de lichtboog tot gevolg heeft.

    Speciaal 4-taktbedrijf

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets indrukken
    Brandertoets vasthouden
    Toortstoets loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    I-S
    Startstroom
    SL
    Slope: voortdurende verhoging / verlaging van de lasstroom
    I
    Hoofdstroom
    I-E
    Eindstroom
    GPo
    Nastroomtijd gas
    1. MIG/MAG
    2. Beschrijving van de modussen MIG/MAG

    Puntlassen

    De bedrijfsmodus "Puntlassen" is met name geschikt voor lasverbindingen op overlappende platen.

    Puntlassen

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets indrukken
    Toortstoets loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    I
    Lasstroom
    SPt
    Puntlastijd/interval-lastijd
    GPo
    Nastroomtijd gas
    1. MIG/MAG
    2. Beschrijving van de modussen MIG/MAG

    2-takt-intervallassen

    De bedrijfsmodus "2-takt-intervallassen" is geschikt voor korte lasnaden op dunne platen en voorkomt dat het grondmateriaal doorbrandt.

    2-takt-intervallassen

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets indrukken
    Brandertoets vasthouden
    Toortstoets loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    I
    Lasstroom
    SPt
    Puntlastijd/interval-lastijd
    SPb
    Interval-pauzetijd
    GPo
    Nastroomtijd gas
    1. MIG/MAG
    2. Beschrijving van de modussen MIG/MAG

    4-takt-intervallassen

    De bedrijfsmodus "4-takt-intervallassen" is geschikt voor langere lasnaden op dunne platen en voorkomt dat het grondmateriaal doorbrandt.

    4-takt-intervallassen

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets indrukken
    Toortstoets loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    I
    Lasstroom
    SPt
    Puntlastijd/interval-lastijd
    SPb
    Interval-pauzetijd
    GPo
    Nastroomtijd gas
    1. MIG/MAG

    MIG/MAG - standaard handmatig lassen

    Algemeen

    De procedure MIG/MAG standaard handmatig lassen is een MIG/MAG-lasprocedure zonder Synergic-functie.
    De verandering van een parameter heeft geen automatische aanpassing van de overige parameters tot gevolg; alle veranderbare parameters moeten afzonderlijk ingesteld worden.

    1. MIG/MAG
    2. MIG/MAG - standaard handmatig lassen

    Algemeen

    De procedure MIG/MAG standaard handmatig lassen is een MIG/MAG-lasprocedure zonder Synergic-functie.
    De verandering van een parameter heeft geen automatische aanpassing van de overige parameters tot gevolg; alle veranderbare parameters moeten afzonderlijk ingesteld worden.

    1. MIG/MAG
    2. MIG/MAG - standaard handmatig lassen

    Instelbare lasparameters

    Bij MIG/MAG handmatig lassen staan de volgende parameters tot uw beschikking:

       Draadsnelheid
       Lasspanning
       Dynamiek - om de kortsluitdynamiek te beïnvloeden op het moment van de druppelovergang
    1. MIG/MAG
    2. MIG/MAG - standaard handmatig lassen

    MIG/MAG-standaard-handmatig-lassen

    1De toets Procedure indrukken om MANUAL te kiezen
    2De toets Bedrijfsmodus indrukken
    om de gewenste MIG/MAG-bedrijfsmodus te kiezen:
       2-taktbedrijf
       4-taktbedrijf
       Puntlassen / intervallassen
    3De parameter voor de draadsnelheid selecteren en instellen
      
    4De parameter voor de lasspanning selecteren en instellen
      

    Alle ingestelde parameterwaarden blijven tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt.

    5Ervoor zorgen dat de aarde-aansluiting is gemaakt
    6Ervoor zorgen dat de beschermgastoevoer is ingesteld
    • Stroombron is gereed voor lassen
    1. MIG/MAG
    2. MIG/MAG - standaard handmatig lassen

    Correcties bij de laswerkzaamheden

    Met de parameter Dynamiek kan het lasresultaat verder geoptimaliseerd worden.

    De parameter Dynamiek dient om de kortsluitstroomsterkte op het moment van druppelovergang te beïnvloeden:

    -
    = harde en stabiele lichtboog
    0
    = neutrale lichtboog
    +
    = zwakke en spatarme lichtboog
    1. MIG/MAG

    MIG/MAG - standaard synergisch lassen

    MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen

    1De toets Procedure indrukken om SYNERGIC te kiezen
    2De toets Bedrijfsmodus indrukken
    om de gewenste MIG/MAG-bedrijfsmodus te kiezen:
       2-taktbedrijf
       4-taktbedrijf
       S 4 T - speciaal 4-taktbedrijf
       Puntlassen / intervallassen
    Parameters die op een bedieningspaneel van een systeemonderdeel worden ingesteld (afstandsbediening enz.) kunnen onder voorwaarden niet op het bedieningspaneel van de stroombron worden gewijzigd.
    3Op de toets Materiaalsoort drukken om het gebruikte toevoegmateriaal te selecteren
    4De toets Draaddiameter indrukken om de diameter van de gebruikte draadelektrode te selecteren
    5De toets Beschermgas indrukken om het gebruikte beschermgas te selecteren
    6De toetsen Parameterkeuze indrukken,
    de lasparameter selecteren waarmee het lasvermogen moet worden opgegeven:
       Plaatdikte
       Lasstroom
       Draadsnelheid
       Lasspanning
    7Lasparameter instellen

    Alle ingestelde parameterwaarden blijven tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt.

    8Ervoor zorgen dat de aarde-aansluiting is gemaakt
    9Ervoor zorgen dat de beschermgastoevoer is ingesteld.
    • Stroombron is gereed voor lassen
    1. MIG/MAG
    2. MIG/MAG - standaard synergisch lassen

    MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen

    1De toets Procedure indrukken om SYNERGIC te kiezen
    2De toets Bedrijfsmodus indrukken
    om de gewenste MIG/MAG-bedrijfsmodus te kiezen:
       2-taktbedrijf
       4-taktbedrijf
       S 4 T - speciaal 4-taktbedrijf
       Puntlassen / intervallassen
    Parameters die op een bedieningspaneel van een systeemonderdeel worden ingesteld (afstandsbediening enz.) kunnen onder voorwaarden niet op het bedieningspaneel van de stroombron worden gewijzigd.
    3Op de toets Materiaalsoort drukken om het gebruikte toevoegmateriaal te selecteren
    4De toets Draaddiameter indrukken om de diameter van de gebruikte draadelektrode te selecteren
    5De toets Beschermgas indrukken om het gebruikte beschermgas te selecteren
    6De toetsen Parameterkeuze indrukken,
    de lasparameter selecteren waarmee het lasvermogen moet worden opgegeven:
       Plaatdikte
       Lasstroom
       Draadsnelheid
       Lasspanning
    7Lasparameter instellen

    Alle ingestelde parameterwaarden blijven tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt.

    8Ervoor zorgen dat de aarde-aansluiting is gemaakt
    9Ervoor zorgen dat de beschermgastoevoer is ingesteld.
    • Stroombron is gereed voor lassen
    1. MIG/MAG
    2. MIG/MAG - standaard synergisch lassen

    Correcties bij de laswerkzaamheden

    Met de parameters Lengtecorrectie lichtboog en Dynamiek kan het lasresultaat verder geoptimaliseerd worden.

     Lengtecorrectie lichtboog:

    -
    = kortere lichtbogen, verlaging lasspanning
    0
    = neutrale lichtboog
    +
    = langere lichtboog, verhoging lasspanning

     Dynamiek:
    om de kortsluitdynamiek te beïnvloeden op het moment van de druppelovergang

    -
    = harde en stabiele lichtboog
    0
    = neutrale lichtboog
    +
    = zwakke en spatarme lichtboog
    1. MIG/MAG

    Puntlassen en interval-lassen

    Algemeen

    De bedrijfsmodi Puntlassen en Interval-lassen zijn MIG/MAG-lasprocessen.

    Puntlassen wordt toegepast op unilateraal toegankelijke lasverbindingen op overlappende platen.

    Intervallassen wordt toegepast op dunne platen.
    Aangezien de draadelektrode niet continu wordt toegevoerd, kan het smeltbad afkoelen tijdens de intervalpauzetijden. Een lokale oververhitting en als resultaat een doorbranden van het basismateriaal kan grotendeels worden vermeden.

    1. MIG/MAG
    2. Puntlassen en interval-lassen

    Algemeen

    De bedrijfsmodi Puntlassen en Interval-lassen zijn MIG/MAG-lasprocessen.

    Puntlassen wordt toegepast op unilateraal toegankelijke lasverbindingen op overlappende platen.

    Intervallassen wordt toegepast op dunne platen.
    Aangezien de draadelektrode niet continu wordt toegevoerd, kan het smeltbad afkoelen tijdens de intervalpauzetijden. Een lokale oververhitting en als resultaat een doorbranden van het basismateriaal kan grotendeels worden vermeden.

    1. MIG/MAG
    2. Puntlassen en interval-lassen

    Puntlassen

    1De toets Procedure indrukken om MANUAL of SYNERGIC te kiezen
    2De toets Bedrijfsmodus indrukken
    om de bedrijfsmodus puntlassen / intervallassen te selecteren
      
    3In het setup-menu de parameter SPt (puntentijd / intervallastijd) op de gewenste waarde instellen
    4Afhankelijk van de procedure (MANUAL of SYNERGIC) de gewenste parameters instellen
    5Ervoor zorgen dat de aarde-aansluiting is gemaakt
    6Ervoor zorgen dat de beschermgastoevoer is ingesteld.
    • Stroombron is gereed voor lassen
    1. MIG/MAG
    2. Puntlassen en interval-lassen

    Intervallassen

    1De toets Procedure indrukken om MANUAL of SYNERGIC te kiezen
    2De toets Bedrijfsmodus indrukken
    om de bedrijfsmodus puntlassen / intervallassen te selecteren
      
    3In het setup-menu de parameter SPt (puntentijd / intervallastijd) op de gewenste waarde instellen
    4In het setup-menu de parameter SPb (punten- / interval-pauzetijd) op de gewenste waarde instellen
    5In het setup-menu de parameter Int (interval) op de gewenste waarde instellen
    6Afhankelijk van de procedure (MANUAL of SYNERGIC) de gewenste parameters instellen
    7Ervoor zorgen dat de aarde-aansluiting is gemaakt
    8Ervoor zorgen dat de beschermgastoevoer is ingesteld.
    • Stroombron is gereed voor lassen

    TIG

    Inbedrijfstelling

    Inbedrijfstelling

    1
    2
    3
    4
    5
    6

    Het aansluiten van de netkabel op de stroombron is alleen bij multivoltage-stroombronnen nodig.

    7

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door ongewenst startend lasproces.

    Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Zodra de stroombron is ingeschakeld controleren of de wolfraamelektrode niet ongewenst/ongecontroleerd elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen, ....).

    1. TIG

    Inbedrijfstelling

    Inbedrijfstelling

    1
    2
    3
    4
    5
    6

    Het aansluiten van de netkabel op de stroombron is alleen bij multivoltage-stroombronnen nodig.

    7

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door ongewenst startend lasproces.

    Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Zodra de stroombron is ingeschakeld controleren of de wolfraamelektrode niet ongewenst/ongecontroleerd elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen, ....).

    1. TIG
    2. Inbedrijfstelling

    Inbedrijfstelling

    1
    2
    3
    4
    5
    6

    Het aansluiten van de netkabel op de stroombron is alleen bij multivoltage-stroombronnen nodig.

    7

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door ongewenst startend lasproces.

    Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Zodra de stroombron is ingeschakeld controleren of de wolfraamelektrode niet ongewenst/ongecontroleerd elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen, ....).

    1. TIG
    2. Inbedrijfstelling

    TIG-lassen

    1De toets Procedure indrukken om TIG te kiezen
    2 Gewenste lasstroom instellen
    Bij gebruik van een lasbrander met brandertoets en TMC-stekker (met fabrieksinstelling 2-taktbedrijf):
    3Gasbuis op de ontstekingsplek opstellen, zodat er tussen de wolfraamelektrode en het werkstuk een afstand van ca. 2 tot 3 mm (0,078 tot 0,118 inch) bestaat
    4Lasbrander langzaam oprichten tot de wolfraamelektrode het werkstuk aanraakt
    5Toortstoets terugtrekken en vasthouden
    - Beschermgas stroomt uit
    6Lasbrander optillen en in de normale positie draaien
    - De lichtboog ontbrandt
    7Beginnen met lassen
    1. TIG
    2. Inbedrijfstelling

    Gewenste landeninstelling selecteren

    • De landeninstelling van de stroombron bepaalt in welke eenheid (cm + mm of inch) de ingestelde lasparameters worden weergegeven
    • De landeninstelling kan worden gewijzigd in niveau 2 van het setup-menu (parameter SEt)
      • Voor de beschrijving van de parameter SEt en voor het instellen van de parameter SEt zie de paragraaf Setup-menu - niveau 2 vanaf pagina (→)
    1. TIG
    2. Inbedrijfstelling

    Juiste ligging van de slangenpakketten

    1. TIG

    Beschrijving van de WIG-modussen

    2-taktbedrijf

    Lassen met het 2-taktbedrijf:
    1Wolfraamelektrode op het werkstuk plaatsen, daarna de toortstoets terugtrekken en vasthouden => beschermgas stroomt
    2Wolfraamelektrode optillen => lichtboog gaat branden
    3Toortstoets loslaten => einde van het lasproces

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets terugtrekken en vasthouden
    Toortstoets naar voren loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPo
    Nastroomtijd gas
    tup
    Up-Slope-fase: voortdurende verhoging van de lasstroom
    Duur: 0,5 seconden
    tdown
    Down-Slope-fase: voortdurende verlaging van de lasstroom
    Duur: 0,5 seconden
    1. TIG
    2. Beschrijving van de WIG-modussen

    2-taktbedrijf

    Lassen met het 2-taktbedrijf:
    1Wolfraamelektrode op het werkstuk plaatsen, daarna de toortstoets terugtrekken en vasthouden => beschermgas stroomt
    2Wolfraamelektrode optillen => lichtboog gaat branden
    3Toortstoets loslaten => einde van het lasproces

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets terugtrekken en vasthouden
    Toortstoets naar voren loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPo
    Nastroomtijd gas
    tup
    Up-Slope-fase: voortdurende verhoging van de lasstroom
    Duur: 0,5 seconden
    tdown
    Down-Slope-fase: voortdurende verlaging van de lasstroom
    Duur: 0,5 seconden
    1. TIG
    2. Beschrijving van de WIG-modussen

    4-stapsproces

    4-stapsproces met tussentijdse verlaging I-2

    Bij de tussentijdse verlaging wordt tijdens de hoofdstroomfase de lasstroom tot een ingestelde reductiestroom I-2  verlaagd.

    Lassen met het 4-stapsproces:
    1Wolfraamelektrode op het werkstuk plaatsen, daarna de brandertoets terugtrekken en vasthouden => beschermgas stroomt
    2Wolfraamelektrode optillen => begin van het lassen met startstroom I-S
    3Brandertoets loslaten => lassen met hoofdstroom I-1
    4Brandertoets vooraf indrukken en vasthouden => activeren van de tussentijdse verlaging met reductiestroom I-2
    5Brandertoets loslaten => lassen met hoofdstroom I-1
    6Brandertoets terugtrekken en vasthouden => verlagen tot eindstroom I-E
    7Brandertoets loslaten => einde van het lasproces

    Verklaring van de symbolen:

    Toortstoets terugtrekken en vasthouden
    Brandertoets naar voren loslaten
    Toortstoets terugtrekken en vasthouden
    Brandertoets naar voren loslaten

    Gebruikte afkortingen:

    GPo
    Nastroomtijd gas
    I-S
    Startstroomfase: voorzichtig opwarmen met lage lasstroom, zodat het materiaal correct gepositioneerd kan worden
    I-1
    Hoofdstroomfase (lasstroomfase) - gelijkmatige temperatuuraanvoer in het grondmateriaal, dat door warmte vooraf is verhit
    I-E
    Eindstroomfase: ter vermijding van kraterscheuringen of -holtes na het lassen
    I-2
    Reductiestroomfase: Tussentijdse verlaging van de lasstroom ter vermijding van plaatselijke oververhitting van het grondmateriaal
    tS
    Startstroomduur
    tup
    Up-Slope-fase: voortdurende verhoging van de lasstroom
    Duur: 0,5 seconden
    tE
    Eindstroomduur
    tdown
    Down-Slope-fase: voortdurende verlaging van de lasstroom
    Duur: 0,5 seconden
    1. TIG

    Pulslassen

    Toepassingsmogelijkheden

    Pulslassen is lassen met pulserende lasstroom. Het wordt toegepast bij het positielassen van stalen buizen en bij het lassen van dunne platen.

    Bij deze toepassingen is de lasstroom die aan het begin van het lassen is ingesteld, niet altijd tot nut voor de volledige lasprocedure:
    • bij een te lage stroomsterkte wordt het materiaal niet genoeg versmolten,
    • bij oververhitting bestaat het gevaar dat het vloeibare smeltbad druppelt.
    1. TIG
    2. Pulslassen

    Toepassingsmogelijkheden

    Pulslassen is lassen met pulserende lasstroom. Het wordt toegepast bij het positielassen van stalen buizen en bij het lassen van dunne platen.

    Bij deze toepassingen is de lasstroom die aan het begin van het lassen is ingesteld, niet altijd tot nut voor de volledige lasprocedure:
    • bij een te lage stroomsterkte wordt het materiaal niet genoeg versmolten,
    • bij oververhitting bestaat het gevaar dat het vloeibare smeltbad druppelt.
    1. TIG
    2. Pulslassen

    Werkingsprincipe

    • Een lagere grondstroom I-G stijgt na een grote stijging tot de duidelijk hogere pulsstroom I-P en daalt na de tijd Duty cycle dcY weer naar de grondstroom I-G.
    • Hieruit ontstaat een stroom van gemiddelde waarde die lager is dan de ingestelde pulsstroom I-P.
    • Bij het pulslassen worden kleine delen van de lasplek snel versmolten. Deze plekken stollen ook snel weer.

    De stroombron regelt de parameters Duty cycle dcY en grondstroom I-G overeenkomstig de ingestelde pulsstroom (lasstroom) en de ingestelde pulsfrequentie.

    Verloop van de lasstroom

    Instelbare parameters:

    I-S
    Startstroom
    I-E
    Eindstroom
    F-P
    Pulsfrequentie (1/F-P = tijdsperiode tussen twee impulsen)
    I-P
    Pulsstroom (de ingestelde lasstroom)

    Niet-instelbare parameters:

    tup
    UpSlope
    tdown
    Downslope
    dcY
    Duty cycle
    I-G
    Grondstroom
    1. TIG
    2. Pulslassen

    Pulslassen activeren

    1 Een waarde voor de setup-parameter F-P (pulsfrequentie) instellen
    • Instelbereik: 1 - 990 Hz

    Zie voor parameterbeschrijving paragraaf Parameter voor TIG-lassen vanaf pagina (→).

    Staafelektrode

    Inbedrijfstelling

    Voorbereiding

    1

    Op de verpakking van de staafelektroden kunt u aflezen of de staafelektroden op (+) of op (-) moeten worden gelast.

    2
    3
    4

    Het aansluiten van de netkabel op de stroombron is alleen bij multivoltage-stroombronnen nodig.

    5

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door ongewenst startend lasproces.

    Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Zodra de stroombron is ingeschakeld: controleren of de staafelektrode niet ongewenst elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen enz.).

    1. Staafelektrode

    Inbedrijfstelling

    Voorbereiding

    1

    Op de verpakking van de staafelektroden kunt u aflezen of de staafelektroden op (+) of op (-) moeten worden gelast.

    2
    3
    4

    Het aansluiten van de netkabel op de stroombron is alleen bij multivoltage-stroombronnen nodig.

    5

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door ongewenst startend lasproces.

    Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Zodra de stroombron is ingeschakeld: controleren of de staafelektrode niet ongewenst elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen enz.).

    1. Staafelektrode
    2. Inbedrijfstelling

    Voorbereiding

    1

    Op de verpakking van de staafelektroden kunt u aflezen of de staafelektroden op (+) of op (-) moeten worden gelast.

    2
    3
    4

    Het aansluiten van de netkabel op de stroombron is alleen bij multivoltage-stroombronnen nodig.

    5

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door ongewenst startend lasproces.

    Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.

    Zodra de stroombron is ingeschakeld: controleren of de staafelektrode niet ongewenst elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen enz.).

    1. Staafelektrode
    2. Inbedrijfstelling

    Gewenste landeninstelling selecteren

    • De landeninstelling van de stroombron bepaalt in welke eenheid (cm + mm of inch) de ingestelde lasparameters worden weergegeven
    • De landeninstelling kan worden gewijzigd in niveau 2 van het setup-menu (parameter SEt)
      • Voor de beschrijving van de parameter SEt en voor het instellen van de parameter SEt zie de paragraaf Setup-menu - niveau 2 vanaf pagina (→)
    1. Staafelektrode
    2. Inbedrijfstelling

    Elektrodelassen

    1Toets Procedure indrukken om STICK te kiezen
    2Gewenste lasstroom instellen
    • Stroombron is gereed om te lassen
    1. Staafelektrode
    2. Inbedrijfstelling

    Juiste ligging van de slangenpakketten

    1. Staafelektrode

    Functies voor lasoptimalisatie

    Dynamiek

     Dynamiek:
    om de kortsluitdynamiek te beïnvloeden op het moment van de druppelovergang

    -
    = harde en stabiele lichtboog
    0
    = neutrale lichtboog
    +
    = zwakke en spatarme lichtboog
    1. Staafelektrode
    2. Functies voor lasoptimalisatie

    Dynamiek

     Dynamiek:
    om de kortsluitdynamiek te beïnvloeden op het moment van de druppelovergang

    -
    = harde en stabiele lichtboog
    0
    = neutrale lichtboog
    +
    = zwakke en spatarme lichtboog
    1. Staafelektrode
    2. Functies voor lasoptimalisatie

    De functie HotStart (Hti)

    Deze functie wordt in de fabriek geactiveerd.

    Voordelen
    • Verbetering van de ontstekingseigenschappen, ook bij elektroden met slechte ontstekingseigenschappen
    • Beter opsmelten van het grondmateriaal in de startfase, daardoor minder koude plekken
    • Vergaande vermijding van slakinsluitingen

    Legenda

    Hti
    Hot-current time = Hotstroom-tijd,
    0 - 2 s, fabrieksinstelling 0,5 s
    HCU
    HotStart-current = HotStart-stroom,
    100 - 200 %,
    fabrieksinstelling 150 %
    IH
    Hoofdstroom = ingestelde lasstroom

    De parameters Hti en HCU kunnen worden ingesteld in het setup-menu. Zie voor parameterbeschrijving paragraaf Parameters voor elektrodelassen vanaf pagina (→).

    Werkingswijze
    Tijdens de ingestelde Hotstroom-tijd (Hti) wordt de lasstroom naar een bepaalde waarde verhoogd. Deze waarde (HCU) is hoger dan de ingestelde lasstroom (IH).

    1. Staafelektrode
    2. Functies voor lasoptimalisatie

    De functie Anti-Stick (Ast)

    Deze functie wordt in de fabriek geactiveerd.

    Bij een korter wordende lichtboog kan de lasspanning zover dalen dat de staafelektrode ertoe neigt vast te kleven. Bovendien kan de staafelektrode uitgloeien.

    Uitgloeien wordt verhinderd als de functie Anti-stick is geactiveerd. Als de staafelektrode begint vast te kleven, schakelt de stroombron de lasstroom meteen uit. Nadat de staafelektrode van het werkstuk is gescheiden, kan het lassen zonder problemen worden voortgezet.

    Deze functie deactiveren:
    1De setup-parameter Ast (Anti-Stick) op OFF (UIT) zetten

    Zie voor parameterbeschrijving paragraaf Parameters voor elektrodelassen vanaf pagina (→).

    EasyJobs

    EasyJobs opslaan en oproepen

    Algemeen

    • De geheugentoetsen maken het opslaan van 2 EasyJobs mogelijk
    • De op het bedieningspaneel ingestelde parameters worden opgeslagen
    • Er worden geen setup-parameters mee opgeslagen
    1. EasyJobs

    EasyJobs opslaan en oproepen

    Algemeen

    • De geheugentoetsen maken het opslaan van 2 EasyJobs mogelijk
    • De op het bedieningspaneel ingestelde parameters worden opgeslagen
    • Er worden geen setup-parameters mee opgeslagen
    1. EasyJobs
    2. EasyJobs opslaan en oproepen

    Algemeen

    • De geheugentoetsen maken het opslaan van 2 EasyJobs mogelijk
    • De op het bedieningspaneel ingestelde parameters worden opgeslagen
    • Er worden geen setup-parameters mee opgeslagen
    1. EasyJobs
    2. EasyJobs opslaan en oproepen

    EasyJob opslaan

    1Voor het opslaan van de actuele instellingen op het bedieningspaneel, één van de geheugentoetsen ingedrukt houden, bijvoorbeeld nummer 1
    • De linkerweergave geeft 'Pro' weer
    • Na korte tijd wordt de linkerweergave teruggezet naar de oorspronkelijke waarde
    2Geheugentoets loslaten
    1. EasyJobs
    2. EasyJobs opslaan en oproepen

    EasyJob oproepen

    1Voor het oproepen van de opgeslagen instellingen, de betreffende geheugentoets kort indrukken, bijvoorbeeld nummer 1
    • Het bedieningspaneel toont de opgeslagen instellingen
    1. EasyJobs
    2. EasyJobs opslaan en oproepen

    EasyJob verwijderen

    1Voor het wissen van de geheugeninhoud van een geheugentoets, de betreffende geheugentoets ingedrukt houden, bijvoorbeeld nummer 1
    • De linkerweergave geeft 'Pro' weer
    • Na korte tijd wordt de linkerweergave teruggezet naar de oorspronkelijke waarde
    2Geheugentoets weer ingedrukt houden
    • De linker aanduiding geeft 'CLr' weer
    • Na korte tijd geven beide weergaven '---' weer
    3Geheugentoets loslaten

    Set-upmenu

    Setup-menu - niveau 1

    Het setup-menu openen en sluiten, parameter wijzigen

    De invoer in het setup-menu wordt beschreven met behulp van de lasprocedure MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen (SYNERGIC).
    Bij de andere lasprocedures werkt de invoer hetzelfde.

    Het setup-menu openen:

    1

    Met behulp van de toets Procedure de procedure SYNERGIC kiezen

    2

    Het bedieningspaneel bevindt zich nu in het setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen setup-parameter wordt getoond.

    Parameters wijzigen:

    1

    Met het stelwiel links de gewenste setup-parameter selecteren

    Met het stelwiel rechts de waarde van de setup-parameter wijzigen

    Het setup-menu verlaten:

    1
    1. Set-upmenu

    Setup-menu - niveau 1

    Het setup-menu openen en sluiten, parameter wijzigen

    De invoer in het setup-menu wordt beschreven met behulp van de lasprocedure MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen (SYNERGIC).
    Bij de andere lasprocedures werkt de invoer hetzelfde.

    Het setup-menu openen:

    1

    Met behulp van de toets Procedure de procedure SYNERGIC kiezen

    2

    Het bedieningspaneel bevindt zich nu in het setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen setup-parameter wordt getoond.

    Parameters wijzigen:

    1

    Met het stelwiel links de gewenste setup-parameter selecteren

    Met het stelwiel rechts de waarde van de setup-parameter wijzigen

    Het setup-menu verlaten:

    1
    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 1

    Het setup-menu openen en sluiten, parameter wijzigen

    De invoer in het setup-menu wordt beschreven met behulp van de lasprocedure MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen (SYNERGIC).
    Bij de andere lasprocedures werkt de invoer hetzelfde.

    Het setup-menu openen:

    1

    Met behulp van de toets Procedure de procedure SYNERGIC kiezen

    2

    Het bedieningspaneel bevindt zich nu in het setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen setup-parameter wordt getoond.

    Parameters wijzigen:

    1

    Met het stelwiel links de gewenste setup-parameter selecteren

    Met het stelwiel rechts de waarde van de setup-parameter wijzigen

    Het setup-menu verlaten:

    1
    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 1

    Parameter voor het MIG/MAG standaard handmatig lassen

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 0,1
    GPo
    Nastroomtijd gas
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 0,5
    Fdi
    Draadinvoersnelheid
    Eenheid: m/min (ipm)
    Instelbereik: 1 - 18,5 (39.37 - 728.35)
    Fabrieksinstelling: 10 (393,7)
    IGc
    IGc Ontsteking
    Eenheid: Ampère
    Instelbereik: 100 - 390
    Fabrieksinstelling: 300
    Ito
    Draadlengte tot inwerkingtreding veiligheidsuitschakeling
    Eenheid: mm (inch)
    Instelbereik: OFF (UIT), 5 - 100 (OFF (UIT), 0,2 - 3,94)
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’)
    De functie Ignition Time-Out (Ito) is een veiligheidsfunctie.
    Als de stroombron na de ingestelde draadlengte geen ontsteking vaststelt, wordt de draadaanvoer gestopt.
    SPt
    Puntentijd
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: OFF (UIT) 0,3 - 5
    Fabrieksinstelling: 1
    SPb
    Puntenpauzetijd
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: OFF (UIT), 0,3 - 10 (in stappen van 0,1 seconde)
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’)
    Int
    Interval
    Eenheid: -
    Instelbereik: 2T (2-staps), 4T (4-staps)
    Fabrieksinstelling: 2T (2-staps)
    FAC
    Stroombron resetten
    Een van de toetsen voor parameterselectie 2 seconden ingedrukt houden om de leveringsstand te herstellen
    - Als in het digitale venster 'PrG' wordt weergegeven, is de stroombron gereset
    Bij het resetten van de stroombron worden de meeste instellingen gewist. Bewaard blijven:
    • de waarden voor de lascircuitweerstand en de lascircuitinductiviteit
    • landeninstelling
    2nd
    tweede niveau van het setup-menu (zie paragraaf 'Setup-menu - niveau 2')
    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 1

    Parameter voor het MIG/MAG standaard synergisch lassen

    GPr
    Voorstroomtijd gas
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 0,1
    GPo
    Nastroomtijd gas
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 0,5
    SL
    Slope
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 1
    I-S
    Startstroom
    Eenheid: % van de lasstroom
    Instelbereik: 0 - 200
    Fabrieksinstelling: 100
    I-E
    Eindstroom
    Eenheid: % van de lasstroom
    Instelbereik: 0 - 200
    Fabrieksinstelling: 50
    t-S
    Startstroomduur
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 0
    t-E
    Eindstroomduur
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 0
    Fdi
    Draadinvoersnelheid
    Eenheid: m/min (ipm)
    Instelbereik: 1 - 18,5 (39.37 - 728.35)
    Fabrieksinstelling: 10 (393,7)
    Ito
    Draadlengte tot in werking treden veiligheidsuitschakeling
    Eenheid: mm (inch)
    Instelbereik: OFF (UIT), 5 - 100 (OFF (UIT), 0.2 - 3.94)
    Fabrieksinstelling: OFF (UIT)
    De functie Ignition Time-Out (Ito) is een veiligheidsfunctie. Als de stroombron na de ingestelde draadlengte geen ontsteking vaststelt, dan wordt de draadaanvoer gestopt.
    SPt
    Puntlastijd
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0,3 - 5
    Fabrieksinstelling: 1
    SPb
    Puntenpauzetijd
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: OFF (UIT), 0,3 - 10 (in stappen van 0,1 seconde)
    Fabrieksinstelling: OFF (UIT)
    Int
    Interval
    Eenheid: -
    Instelbereik: 2T (2-takt), 4T (4-takt)
    Fabrieksinstelling: 2T (2-takt)
    FAC
    Stroombron resetten
    Een van de toetsen voor parameterselectie 2 seconden ingedrukt houden om de leveringsstand te herstellen
    - Als in het digitale venster "PrG" wordt weergegeven, is de stroombron gereset.
    Bij het resetten van de stroombron worden de meeste instellingen gewist. Bewaard blijven:
    • de waarden voor de lascircuitweerstand en de lascircuitinductiviteit
    • landeninstelling
    2nd
    Tweede niveau van het Setup-menu (zie onderdeel "Setup-menu - niveau 2")
    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 1

    Parameter voor TIG-lassen

    F-P
    Pulsfrequentie
    Eenheid: hertz
    Instelbereik: OFF (UIT); 1 - 990
    (tot 10 Hz: in stappen van 0,1 Hz)
    (tot 100 Hz: in stappen van 1 Hz)
    (boven de 100 Hz: in stappen van 10 Hz)
    Fabrieksinstelling = OFF (UIT)
    tUP
    Up-slope
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0,01 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 0,5
    tdo
    Down-slope
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0,01 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 1
    I-S
    Startstroom
    Eenheid: % van hoofdstroom
    Instelbereik: 1 - 200
    Fabrieksinstelling: 35
    I-2
    Reductiestroom
    Eenheid: % van hoofdstroom
    Instelbereik: 1 - 100
    Fabrieksinstelling: 50
    I-E
    Eindstroom
    Eenheid: % van hoofdstroom
    Instelbereik: 1 - 100
    Fabrieksinstelling: 30
    GPo
    Nastroomtijd gas
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 9,9
    Fabrieksinstelling: 9,9
    tAC
    Hechten
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: OFF (UIT), 0,1 - 9,9
    Fabrieksinstelling = OFF (UIT)
    FAC
    Stroombron resetten
    Een van de toetsen voor parameterselectie 2 seconden ingedrukt houden om de leveringsstand te herstellen
    - Als in het digitale venster "PrG" wordt weergegeven, is de stroombron gereset.
    Bij het resetten van de stroombron worden de meeste instellingen gewist. Bewaard blijven:
    • de waarden voor de lascircuitweerstand en de lascircuitinductiviteit
    • landeninstelling
    2nd
    Tweede niveau van het Setup-menu (zie onderdeel "Setup-menu - niveau 2")
    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 1

    Parameters voor elektrodelassen

    HCU
    HotStart-stroom
    Eenheid: %
    Instelbereik: 100 - 200
    Fabrieksinstelling: 150
    Hti
    Hotstrom-tijd
    Eenheid: seconden
    Instelbereik: 0 - 2,0
    Fabrieksinstelling: 0,5
    Ast
    Anti-Stick
    Eenheid: -
    Instelbereik: ON, OFF (AAN, UIT)
    Fabrieksinstelling: On (Aan)
    FAC
    Stroombron resetten
    Een van de toetsen voor parameterselectie 2 seconden ingedrukt houden om de leveringsstand te herstellen
    - Als in het digitale venster 'PrG' wordt weergegeven, is de stroombron gereset.
    Bij het resetten van de stroombron worden de meeste instellingen gewist. Bewaard blijven:
    • de waarden voor de lascircuitweerstand en de lascircuitinductiviteit
    • landeninstelling
    2nd
    tweede niveau van het setup-menu (zie paragraaf 'Setup-menu - niveau 2')
    1. Set-upmenu

    Setup-menu - niveau 2

    Het setup-menu niveau 2 openen en sluiten, parameter wijzigen

    Het setup-menu niveau 2 openen:

    1

    Met behulp van de toets Procedure de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen" kiezen

    2

    Het bedieningspaneel bevindt zich nu in het setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen setup-parameter wordt getoond.



    3

    Met het stelwiel links de setup-parameter "2nd" selecteren

    4

    Het bedieningspaneel bevindt zich nu op het tweede niveau in het setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen setup-parameter wordt getoond.



    Parameters wijzigen:

    1

    Met het stelwiel links de gewenste setup-parameter selecteren

    Met het stelwiel rechts de waarde van de setup-parameter wijzigen

    Het setup-menu verlaten:

    1

    Een parameter wordt weergegeven in het setup-menu van het eerste niveau.



    2

    Een parameter wordt weergegeven in het setup-menu van het eerste niveau.



    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 2

    Het setup-menu niveau 2 openen en sluiten, parameter wijzigen

    Het setup-menu niveau 2 openen:

    1

    Met behulp van de toets Procedure de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen" kiezen

    2

    Het bedieningspaneel bevindt zich nu in het setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen setup-parameter wordt getoond.



    3

    Met het stelwiel links de setup-parameter "2nd" selecteren

    4

    Het bedieningspaneel bevindt zich nu op het tweede niveau in het setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen setup-parameter wordt getoond.



    Parameters wijzigen:

    1

    Met het stelwiel links de gewenste setup-parameter selecteren

    Met het stelwiel rechts de waarde van de setup-parameter wijzigen

    Het setup-menu verlaten:

    1

    Een parameter wordt weergegeven in het setup-menu van het eerste niveau.



    2

    Een parameter wordt weergegeven in het setup-menu van het eerste niveau.



    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 2

    Parameter voor het MIG/MAG standaard-handmatig-lassen

    SEt
    Landeninstelling (Standaard / US) ... Std / US (VS)
    Eenheid: -
    Instelbereik: Std, US (VS)
    Fabrieksinstelling:
    Standaardapparaat: Std (maataanduiding: cm/mm)
    Amerikaans apparaat: US (maataanduiding: inch)
    FUS
    Netbeveiliging
    Het maximaal mogelijke lasvermogen wordt beperkt door de hoogte van de ingestelde netbeveiliging.
    Eenheid: A
    De beschikbare netbeveiligingswaarden zijn afhankelijk van de instelling van de parameter SEt:
    Parameter SEt op Std: OFF ('UIT') / 10 / 13 / 16
    Parameter SEt op US: OFF ('UIT') / 15 / 20 (alleen bij 120V-netspanning)
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT')
    r
    Laskringweerstand (in mOhm)
    Zie paragraaf Laskringweerstand vaststellen (MIG/MAG-lassen) vanaf pagina (→)
    L
    Laskring-inductiviteit (in microhenry)
    Zie paragraaf Laskring-inductiviteit aangeven vanaf pagina (→)
    EnE
    Real Energy Input
    Eenheid: kJ
    Instelbereik: ON / OFF
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT')
    Aangezien niet het gehele waardebereik (1 kJ - 99999 kJ) op het display van drie cijfers kan worden aangegeven, is de volgende weergavevariant gekozen:
    Waarde in kJ: 1 tot 999 / weergave op display: 1 tot 999
    waarde in kJ: 1000 tot 9999 / weergave op display: 1,00 tot 9,99 (gedeeld door duizend tot twee cijfers achter de komma, bijvoorbeeld 5270 kJ -> 5,27)
    Waarde in kJ: 10.000 tot 99.999 / weergave op display: 10,0 tot 99,9
    (gedeeld door duizend tot één cijfer achter de komma, bijvoorbeeld 23580 kJ -> 23,6)
    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 2

    Parameter voor het MIG/MAG standaard-synergisch-lassen

    SEt
    Landeninstelling (Standaard / US) ... Std / US (VS)
    Eenheid: -
    Instelbereik: Std, US (VS)
    Fabrieksinstelling:
    Standaardapparaat: Std (maataanduiding: cm/mm)
    Amerikaans apparaat: US (maataanduiding: inch)
    FUS
    Netbeveiliging
    Het maximaal mogelijke lasvermogen wordt beperkt door de hoogte van de ingestelde netbeveiliging.
    Eenheid: A
    De beschikbare netbeveiligingswaarden zijn afhankelijk van de instelling van de parameter SEt:
    Parameter SEt op Std: OFF ('UIT') / 10 / 13 / 16
    Parameter SEt op US: OFF ('UIT') / 15 / 20 (alleen bij 120V-netspanning)
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT')
    r
    Laskringweerstand (in mOhm)
    Zie paragraaf Laskringweerstand vaststellen (MIG/MAG-lassen) vanaf pagina (→)
    L
    Laskring-inductiviteit (in microhenry)
    Zie paragraaf Laskring-inductiviteit aangeven vanaf pagina (→)
    EnE
    Real Energy Input
    Eenheid: kJ
    Instelbereik: ON / OFF
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT')
    Aangezien niet het gehele waardebereik (1 kJ - 99999 kJ) op het display van drie cijfers kan worden aangegeven, is de volgende weergavevariant gekozen:
    Waarde in kJ: 1 tot 999 / weergave op display: 1 tot 999
    waarde in kJ: 1000 tot 9999 / weergave op display: 1,00 tot 9,99 (gedeeld door duizend tot twee cijfers achter de komma, bijvoorbeeld 5270 kJ -> 5,27)
    Waarde in kJ: 10.000 tot 99.999 / weergave op display: 10,0 tot 99,9
    (gedeeld door duizend tot één cijfer achter de komma, bijvoorbeeld 23580 kJ -> 23,6)
    ALC
    Weergave Lengtecorrectie lichtboog
    (instelling van de weergave van de Lengtecorrectie lichtboog)
    Instelbereik: ON / OFF
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT')
    Indien ingesteld op ON (AAN), indien op het bedieningspaneel de parameter Lasspanning geselecteerd en ingesteld is
    • wijst de weergave links gedurende 3 seconden de waarde aan voor de Lengtecorrectie lichtboog,
    • wijst de weergave rechts gelijktijdig de waarde aan voor het lasspanning
    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 2

    Parameter voor TIG-lassen

    SEt
    Landeninstelling (Standaard / US) ... Std / US (VS)
    Eenheid: -
    Instelbereik: Std, US (VS)
    Fabrieksinstelling:
    Standaardapparaat: Std (maataanduiding: cm/mm)
    Amerikaans apparaat: US (maataanduiding: inch)
    FUS
    Netbeveiliging
    Het maximaal mogelijke lasvermogen wordt beperkt door de hoogte van de ingestelde netbeveiliging.
    Eenheid: A
    De beschikbare netbeveiligingswaarden zijn afhankelijk van de instelling van de parameter SEt:
    Parameter SEt op Std: OFF ('UIT') / 10 / 13 / 16
    Parameter SEt op US: OFF ('UIT') / 15 / 20 (alleen bij 120V-netspanning)
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT')
    1. Set-upmenu
    2. Setup-menu - niveau 2

    Parameter voor elektrodelassen

    SEt
    Landeninstelling (Standaard / US) ... Std / US (VS)
    Eenheid: -
    Instelbereik: Std, US (VS)
    Fabrieksinstelling:
    Standaardapparaat: Std (maataanduiding: cm/mm)
    Amerikaans apparaat: US (maataanduiding: inch)
    r
    Laskringweerstand (in mOhm)
    Zie paragraaf Laskringweerstand vaststellen (elektrodelassen-lassen) vanaf pagina (→)
    L
    Laskring-inductiviteit (in microhenry)
    Zie paragraaf Laskring-inductiviteit aangeven vanaf pagina (→)
    FUS
    Netbeveiliging
    Het maximaal mogelijke lasvermogen wordt beperkt door de hoogte van de ingestelde netbeveiliging.
    Eenheid: A
    De beschikbare netbeveiligingswaarden zijn afhankelijk van de instelling van de parameter SEt:
    Parameter SEt op Std: OFF ('UIT') / 10 / 13 / 16
    Parameter SEt op US: OFF ('UIT') / 15 / 20 (alleen bij 120V-netspanning)
    Fabrieksinstelling: OFF ('UIT')

    Optimalisatie van de laskwaliteit

    Laskring-weerstand vaststellen

    Algemeen

    Door het vaststellen van de lascircuitweerstand is het mogelijk om ook bij verschillende lengtes van het slangenpakket altijd een gelijkblijvend lasresultaat te bereiken; daardoor is de lasspanning bij de lichtboog altijd precies afgestemd, onafhankelijk van de lengte en de doorsnede van het slangenpakket. Gebruik van de Lengtecorrectie lichtboog is niet meer nodig.

    De laskringweerstand wordt na het vaststellen op het display weergegeven.

    r = lascircuitweerstand in milliohm (mOhm)

    Bij een correct doorgevoerde bepaling van de laskringweerstand komt de ingestelde lasspanning precies overeen met de lasspanning bij de lichtboog. Als de spanning bij de uitgangsbussen van de stroombron handmatig wordt gemeten, is deze met het spanningsverval van het slangenpakket hoger dan de lasspanning bij de lichtboog.

    De laskringweerstand is afhankelijk van het gebruikte slangenpakket:
    • bij wijziging van de lengte of doorsnede van het slangenpakket de laskringweerstand opnieuw vaststellen
    • de laskringweerstand voor elke lasprocedure met de bijbehorende lasleidingen apart vaststellen
    1. Optimalisatie van de laskwaliteit

    Laskring-weerstand vaststellen

    Algemeen

    Door het vaststellen van de lascircuitweerstand is het mogelijk om ook bij verschillende lengtes van het slangenpakket altijd een gelijkblijvend lasresultaat te bereiken; daardoor is de lasspanning bij de lichtboog altijd precies afgestemd, onafhankelijk van de lengte en de doorsnede van het slangenpakket. Gebruik van de Lengtecorrectie lichtboog is niet meer nodig.

    De laskringweerstand wordt na het vaststellen op het display weergegeven.

    r = lascircuitweerstand in milliohm (mOhm)

    Bij een correct doorgevoerde bepaling van de laskringweerstand komt de ingestelde lasspanning precies overeen met de lasspanning bij de lichtboog. Als de spanning bij de uitgangsbussen van de stroombron handmatig wordt gemeten, is deze met het spanningsverval van het slangenpakket hoger dan de lasspanning bij de lichtboog.

    De laskringweerstand is afhankelijk van het gebruikte slangenpakket:
    • bij wijziging van de lengte of doorsnede van het slangenpakket de laskringweerstand opnieuw vaststellen
    • de laskringweerstand voor elke lasprocedure met de bijbehorende lasleidingen apart vaststellen
    1. Optimalisatie van de laskwaliteit
    2. Laskring-weerstand vaststellen

    Algemeen

    Door het vaststellen van de lascircuitweerstand is het mogelijk om ook bij verschillende lengtes van het slangenpakket altijd een gelijkblijvend lasresultaat te bereiken; daardoor is de lasspanning bij de lichtboog altijd precies afgestemd, onafhankelijk van de lengte en de doorsnede van het slangenpakket. Gebruik van de Lengtecorrectie lichtboog is niet meer nodig.

    De laskringweerstand wordt na het vaststellen op het display weergegeven.

    r = lascircuitweerstand in milliohm (mOhm)

    Bij een correct doorgevoerde bepaling van de laskringweerstand komt de ingestelde lasspanning precies overeen met de lasspanning bij de lichtboog. Als de spanning bij de uitgangsbussen van de stroombron handmatig wordt gemeten, is deze met het spanningsverval van het slangenpakket hoger dan de lasspanning bij de lichtboog.

    De laskringweerstand is afhankelijk van het gebruikte slangenpakket:
    • bij wijziging van de lengte of doorsnede van het slangenpakket de laskringweerstand opnieuw vaststellen
    • de laskringweerstand voor elke lasprocedure met de bijbehorende lasleidingen apart vaststellen
    1. Optimalisatie van de laskwaliteit
    2. Laskring-weerstand vaststellen

    Laskringweerstand vaststellen (MIG/MAG-lassen)

    OPMERKING!

    Risico op een foutieve meting van de laskringweerstand.

    Dit kan een negatief effect hebben op het lasresultaat.

    Controleren of het werkstuk in het bereik van de aardingsklem een optimaal contactoppervlak biedt (oppervlak schoongemaakt, roestvrij gemaakt, enz.).

    1Controleren of de procedure MANUAL of SYNERGIC is geselecteerd
    2Aardingsverbinding met werkstuk maken
    3Niveau 2 van het setup-menu openen (2nd)
    4Parameter 'r' kiezen
    5Gasbuis van de lasbrander verwijderen
    6Contactbuis vastschroeven
    7Ervoor zorgen dat de draadelektrode niet uit de contactbuis steekt

    OPMERKING!

    Risico op een foutieve meting van de laskringweerstand.

    Dit kan een negatief effect hebben op het lasresultaat.

    Controleren of het werkstuk een optimaal contactoppervlak voor de contactbuis biedt (oppervlak schoongemaakt, roestvrij gemaakt, enz.).

    8Contactbuis vol op het werkstukoppervlak zetten
    9Brandertoets kort indrukken
    • De lascircuit-weerstand wordt berekend. Tijdens het meten verschijnt op het display 'run'

    De meting is afgesloten wanneer het display de lascircuit-weerstand in mOhm weergeeft (bijvoorbeeld 11,4).

    10Gasbuis van de lasbrander weer monteren
    1. Optimalisatie van de laskwaliteit
    2. Laskring-weerstand vaststellen

    Laskringweerstand vaststellen (elektrodelassen-lassen)

    OPMERKING!

    Risico op een foutieve meting van de laskringweerstand.

    Dit kan een negatief effect hebben op het lasresultaat.

    Controleren of het werkstuk in het bereik van de aardingsklem een optimaal contactoppervlak biedt (oppervlak schoongemaakt, roestvrij gemaakt, enz.).

    1Controleren of de procedure STICK is geselecteerd
    2Aardingsverbinding met werkstuk maken
    3Niveau 2 van het setup-menu openen (2nd)
    4Parameter "r" kiezen

    OPMERKING!

    Risico op een foutieve meting van de laskringweerstand.

    Dit kan een negatief effect hebben op het lasresultaat.

    Controleren of het werkstuk een optimaal contactoppervlak voor de elektrode biedt (oppervlak schoongemaakt, roestvrij gemaakt,...).

    5Elektrode vol op het werkstukoppervlak zetten
    6De toets Parameterkeuze rechts indrukken
    • De lascircuit-weerstand wordt berekend. Tijdens het meten verschijnt op het display "run"

    De meting is afgesloten wanneer het display de lascircuit-weerstand in mOhm weergeeft (bijvoorbeeld 11,4).

    1. Optimalisatie van de laskwaliteit

    Laskring-inductiviteit aangeven

    Algemeen

    De ligging van het leidingpakket het aanzienlijke uitwerking op de laskringinductiviteit en heeft daardoor invloed op het lasproces. Om het optimale lasresultaat te verkrijgen, is daarom een correcte ligging van het leidingpakket belangrijk.

    1. Optimalisatie van de laskwaliteit
    2. Laskring-inductiviteit aangeven

    Algemeen

    De ligging van het leidingpakket het aanzienlijke uitwerking op de laskringinductiviteit en heeft daardoor invloed op het lasproces. Om het optimale lasresultaat te verkrijgen, is daarom een correcte ligging van het leidingpakket belangrijk.

    1. Optimalisatie van de laskwaliteit
    2. Laskring-inductiviteit aangeven

    Laskring-inductiviteit aangeven

    Met de setup-parameter 'L' wordt de laatst vastgestelde laskring-inductiviteit weergegeven. De daadwerkelijke afstelling van de laskring-inductiviteit vindt tegelijkertijd met het vaststellen van de laskringweerstand plaats. Gedetailleerde informatie daarover vindt u in het hoofdstuk 'Laskringweerstand vaststellen'.

    1Het setup-menu niveau 2 openen (2nd)
    2Parameter 'L' kiezen

    De laatst vastgestelde laskring-inductiviteit L wordt op het rechter digitale scherm getoond.

    L ... Laskring-inductiviteit (in microhenry)

    Storingen opheffen en onderhoud

    Serviceparameters weergeven

    Serviceparameters

    Door het gelijktijdig indrukken van de toetsen Parameterkeuze links en rechts kunnen er diverse serviceparameters worden opgeroepen.

    Weergave openen:

    1

    De eerste parameter, "Firmwareversie", wordt weergegeven, bijv. "1.00 | 4.21"

    Parameter selecteren:

    1

    Met de toetsen Bedrijfsmodus en Procedure of het stelwiel links de gewenste setup-parameter kiezen

    Beschikbare parameters

    Voorbeeld:
    1.00 | 4.21

    Firmwareversie

    Voorbeeld:
    2 | 491

    Configuratie lasprogramma

    Voorbeeld:
    r 2 | 290

    Nummer van het momenteel geselecteerde lasprogramma

    Voorbeeld:
    654 | 32.1
    = 65 432,1 h
    = 65 432 h 6 min

    Weergave van werkelijke brandduur van lichtboog sinds eerste gebruik;
    Let op: De weergave van de brandtijd van de lichtboog is niet geschikt voor de berekening van huurkosten, garantiehonoreringen en dergelijke.

    Voorbeeld:
    iFd | 0.0

    Motorstroom voor draadaandrijving in A
    De waarde verandert zodra de motor draait.

    2nd

    Tweede menuniveau voor servicetechnici

    1. Storingen opheffen en onderhoud

    Serviceparameters weergeven

    Serviceparameters

    Door het gelijktijdig indrukken van de toetsen Parameterkeuze links en rechts kunnen er diverse serviceparameters worden opgeroepen.

    Weergave openen:

    1

    De eerste parameter, "Firmwareversie", wordt weergegeven, bijv. "1.00 | 4.21"

    Parameter selecteren:

    1

    Met de toetsen Bedrijfsmodus en Procedure of het stelwiel links de gewenste setup-parameter kiezen

    Beschikbare parameters

    Voorbeeld:
    1.00 | 4.21

    Firmwareversie

    Voorbeeld:
    2 | 491

    Configuratie lasprogramma

    Voorbeeld:
    r 2 | 290

    Nummer van het momenteel geselecteerde lasprogramma

    Voorbeeld:
    654 | 32.1
    = 65 432,1 h
    = 65 432 h 6 min

    Weergave van werkelijke brandduur van lichtboog sinds eerste gebruik;
    Let op: De weergave van de brandtijd van de lichtboog is niet geschikt voor de berekening van huurkosten, garantiehonoreringen en dergelijke.

    Voorbeeld:
    iFd | 0.0

    Motorstroom voor draadaandrijving in A
    De waarde verandert zodra de motor draait.

    2nd

    Tweede menuniveau voor servicetechnici

    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Serviceparameters weergeven

    Serviceparameters

    Door het gelijktijdig indrukken van de toetsen Parameterkeuze links en rechts kunnen er diverse serviceparameters worden opgeroepen.

    Weergave openen:

    1

    De eerste parameter, "Firmwareversie", wordt weergegeven, bijv. "1.00 | 4.21"

    Parameter selecteren:

    1

    Met de toetsen Bedrijfsmodus en Procedure of het stelwiel links de gewenste setup-parameter kiezen

    Beschikbare parameters

    Voorbeeld:
    1.00 | 4.21

    Firmwareversie

    Voorbeeld:
    2 | 491

    Configuratie lasprogramma

    Voorbeeld:
    r 2 | 290

    Nummer van het momenteel geselecteerde lasprogramma

    Voorbeeld:
    654 | 32.1
    = 65 432,1 h
    = 65 432 h 6 min

    Weergave van werkelijke brandduur van lichtboog sinds eerste gebruik;
    Let op: De weergave van de brandtijd van de lichtboog is niet geschikt voor de berekening van huurkosten, garantiehonoreringen en dergelijke.

    Voorbeeld:
    iFd | 0.0

    Motorstroom voor draadaandrijving in A
    De waarde verandert zodra de motor draait.

    2nd

    Tweede menuniveau voor servicetechnici

    1. Storingen opheffen en onderhoud

    Storingsdiagnose en storingen opheffen

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.

    U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.

    Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.

    GEVAAR!

    Gevaar door elektrische stroom.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.

    Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.

    Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.

    GEVAAR!

    Gevaar door ontoereikende randaardeverbindingen.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    De schroeven van de behuizing vormen een geschikte verbinding van de randaarde, voor de aarding van de behuizing.

    De schroeven van de behuizing mogen in geen geval worden vervangen door andere schroeven zonder betrouwbare verbinding van de randaarde.

    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Storingsdiagnose en storingen opheffen

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.

    U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.

    Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.

    GEVAAR!

    Gevaar door elektrische stroom.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.

    Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.

    Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.

    GEVAAR!

    Gevaar door ontoereikende randaardeverbindingen.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    De schroeven van de behuizing vormen een geschikte verbinding van de randaarde, voor de aarding van de behuizing.

    De schroeven van de behuizing mogen in geen geval worden vervangen door andere schroeven zonder betrouwbare verbinding van de randaarde.

    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Storingsdiagnose en storingen opheffen

    Storingsdiagnose

    Noteer het serienummer en de configuratie van het apparaat en neem met een gedetailleerde foutbeschrijving contact op met de servicedienst als

    • er storingen optreden die hieronder niet zijn vermeld
    • met de voorgestelde remedie de storing niet wordt verholpen

    Stroombron functioneert niet
    De netschakelaar is ingeschakeld, maar de weergaven branden niet
    Oorzaak:De netvoeding is onderbroken, de netstekker is niet in het stopcontact gestoken
    Oplossing:Netvoedingskabel controleren, de stekker van het netsnoer in het stopcontact steken
    Oorzaak:De netstekkerdoos of de netstekker is defect
    Oplossing:De defecte onderdelen vervangen
    Oorzaak:Netbeveiliging
    Oplossing:De netbeveiliging vervangen
    geen functioneren na indrukken van de brandertoets
    Netschakelaar ingeschakeld, schermen lichten op
    Oorzaak:Lasbrander of stuurleiding van de lasbrander is defect
    Oplossing:Lasbrander vervangen
    Geen lasstroom
    De netschakelaar is ingeschakeld, een van de servicecodes voor te hoge temperatuur "to" wordt weergegeven. Uitgebreide informatie over de servicecodes 'to0' t/m 'to6' leest u in de paragraaf Weergegeven servicecodes vanaf pagina (→).
    Oorzaak:Overbelasting
    Oplossing:Rekening houden met maximale ingeschakelde tijd
    Oorzaak:Thermo-veiligheidsautomaat heeft de stroombron uitgeschakeld
    Oplossing:Afkoelfase afwachten; stroombron gaat na korte tijd vanzelf weer aan
    Oorzaak:Onvoldoende toevoer van koellucht
    Oplossing:Luchtfilter reinigen, toegankelijkheid van de ventilatie-openingen waarborgen – zie paragraaf Onderhoud indien nodig, ten minste om de 2 maanden vanaf pagina (→)
    Oorzaak:Ventilator in de stroombron is defect
    Oplossing:Contact opnemen met de servicedienst
    Geen lasstroom
    Netschakelaar van stroombron ingeschakeld, schermen lichten op
    Oorzaak:Verkeerde massa-aansluiting
    Remedie:Aardeaansluiting op polariteit controleren
    Oorzaak:Stroomkabel in lasbrander onderbroken
    Remedie:Lasbrander vervangen
    geen beschermgas
    alle andere functies beschikbaar
    Oorzaak:De gasslang is voor het huidige lasproces niet aangesloten op de juiste aansluiting
    Oplossing:Sluit de gasslang aan op de juiste aansluiting voor het huidige lasproces
    Oorzaak:Gasfles leeg
    Oplossing:Gasfles vervangen
    Oorzaak:Gasdrukregelaar defect
    Oplossing:Gasdrukregelaar vervangen
    Oorzaak:Gasleiding niet gemonteerd of beschadigd
    Oplossing:Gasleiding monteren of vervangen
    Oorzaak:Lasbrander defect
    Oplossing:Lasbrander vervangen
    Oorzaak:Gas-magneetventiel defect
    Oplossing:Contact opnemen met de servicedienst
    Onregelmatige draadsnelheid
    Oorzaak:rem te sterk afgesteld
    Oplossing:rem losmaken
    Oorzaak:boring van de contactbuis te nauw
    Oplossing:passende contactbuis gebruiken
    Oorzaak:draadgeleidekern in lasbrander defect
    Oplossing:draadgeleidekern controleren op knikken, vuil enz. en eventueel vervangen
    Oorzaak:aandrijfrollen niet geschikt voor gebruikte draadelektrode
    Oplossing:passende aandrijfrollen gebruiken
    Oorzaak:verkeerde contactdruk van de aandrijfrollen
    Oplossing:contactdruk optimaliseren
    Problemen met draadaanvoer
    Oorzaak:onjuiste ligging van het slangenpakket van de lasbrander
    Oplossing:Het slangenpakket van de lasbrander zo rechtlijnig mogelijk leggen, nauwe buigingen vermijden
    Lasbrander wordt zeer heet
    Oorzaak:Lasbrander te zwak gedimensioneerd
    Oplossing:Rekening houden met inschakelduur en belastingsgrenzen
    Slechte laseigenschappen
    Oorzaak:Verkeerde lasparameter
    Remedie:Instellingen controleren
    Oorzaak:Massaverbinding slecht
    Remedie:Goed contact met werkstuk maken
    Oorzaak:Geen of te weinig beschermgas
    Remedie:Drukverminderaar, gasleiding, gas-magneetventiel, lasbrander-gasaansluiting enz. controleren
    Oorzaak:Lasbrander lek
    Remedie:Lasbrander vervangen
    Oorzaak:Verkeerde of uitgeslepen contactbuis
    Remedie:Contactbuis vervangen
    Oorzaak:Verkeerde draadlegering of verkeerde draaddiameter
    Remedie:Ingelegde draadelektrode controleren
    Oorzaak:Verkeerde draadlegering of verkeerde draaddiameter
    Remedie:Lasbaarheid van het basismateriaal controleren
    Oorzaak:Beschermgas niet geschikt voor draadlegering
    Remedie:Juiste soort beschermgas gebruiken
    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Storingsdiagnose en storingen opheffen

    Weergegeven servicecodes

    Als er op een van de weergaven een foutmelding wordt weergegeven die hier niet is genoemd, probeert u het probleem dan eerst op de volgende wijze op te lossen:

    1Netschakelaar voor de stroombron in stand O- zetten
    210 seconden wachten
    3Netschakelaar in stand -I- zetten


    Doet de storing zich, ondanks meerdere pogingen deze te verhelpen, opnieuw voor of hebben de hier voorgestelde oplossingen niet het gewenste gevolg, ga dan als volgt te werk:

    1noteer de weergegeven foutmelding
    2noteer de configuratie van de stroombron
    3neem met een gedetailleerde foutbeschrijving contact op met de servicedienst

    ELn | 13
    Oorzaak:Ongeldige wisseling van het lasproces tijdens het lassen
    Remedie:Tijdens het lassen geen niet-toegestane wisseling van het lasproces uitvoeren; hef de foutmelding op door op een willekeurige toets te drukken
    Err | IP
    Oorzaak:De besturing van de stroombron heeft een primaire overspanning geconstateerd
    Oplossing:Netspanning controleren.
    Indien servicecode alsnog blijft staan, stroombron uitschakelen, 10 seconden wachten en aansluitend stroombron weer inschakelen.
    Als de fout ook dan nog blijft bestaan, servicedienst verwittigen
    Err | 51
    Oorzaak:Onderspanning: de netspanning is onder de tolerantiewaarde gekomen
    Oplossing:Netspanning controleren; wordt de foutcode nog steeds weergegeven, dan contact opnemen met de servicedienst
    Err | 52
    Oorzaak:Overspanning van het net: de netspanning heeft de tolerantiewaarde overschreden
    Oplossing:Netspanning controleren.
    Wordt de foutcode nog steeds weergegeven, dan contact opnemen met de servicedienst
    EFd | 14, EFd | 81, EFd | 83
    Oorzaak:Fout in draadtransportsysteem - overstroom draadtoevoermotor (2-rollenaandrijving)
    Oplossing:Slangenpakket zo rechtlijnig mogelijk uitleggen; draadgeleidingskernen op knikken of vuil controleren; contactdruk bij 2-rollenaandrijving controleren; 2-rollenaandrijving op draadwikkel controleren
    Oorzaak:Draadtoevoermotor stokt of is defect
    Oplossing:Draadtoevoermotor controleren of Servicedienst raadplegen
    to0 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te hoge temperatuur op de geleiderplaat LSTMAG20 (secundaire kring)
    Oplossing:Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen, controleren of de ventilator loopt
    to2 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te hoge temperatuur in secundaire kring van de stroombron
    Oplossing:Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen (zie paragraaf Onderhoud indien nodig, ten minste om de 2 maanden op pagina (→)), controleren of de ventilator loopt
    to3 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te hoge temperatuur op de printplaat LSTMAG20 (draadtoevoer)
    Oplossing:Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen (zie paragraaf Onderhoud indien nodig, ten minste om de 2 maanden op pagina (→)), controleren of de ventilator loopt
    to6 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te hoge temperatuur op de printplaat LSTMAG20 (spanningsverdubbelaar)
    Oplossing:Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen (zie paragraaf Onderhoud indien nodig, ten minste om de 2 maanden op pagina (→)), controleren of de ventilator loopt
    to7 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te hoge temperatuur in de stroombron
    Oplossing:Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen, controleren of de ventilator loopt
    to8 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te hoge temperatuur op vermogensonderdeelmodule
    Oplossing:Stroombron laten afkoelen, controleren of de ventilator loopt
    to9 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te hoge temperatuur op PFC-module
    Oplossing:Stroombron laten afkoelen, controleren of de ventilator loopt
    toA | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te hoge temperatuur op de geleiderplaat LSTMAG20 (PFC)
    Oplossing:Stroombron laten afkoelen, controleren of de ventilator loopt
    toF | xxx
    Oorzaak:De veiligheidsuitschakeling van de stroombron heeft gereageerd om te voorkomen dat de netbeveiliging uitschakelt.
    Oplossing:Na een laspauze van ca. 90 seconden verdwijnt het bericht en is de stroombron weer gereed voor gebruik.
    tu0 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te lage temperatuur op de geleiderplaat (secundaire kring)
    Oplossing:Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen
    tu2 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te lage temperatuur in secundaire kring van de stroombron
    Oplossing:Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen
    tu3 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te lage temperatuur op de geleiderplaat LSTMAG20 (draadtoevoer)
    Oplossing:Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen
    tu6 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te lage temperatuur op de geleiderplaat LSTMAG20 (spanningsverdubbelaar)
    Oplossing:Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen
    tu7 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te lage temperatuur in de stroombron
    Remedie:Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen
    tu8 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te lage temperatuur op vermogensonderdeelmodule
    Oplossing:Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen
    tu9 | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te lage temperatuur op PFC-module
    Oplossing:Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen
    tuA | xxx
    Opmerking: xxx staat voor een temperatuurwaarde
    Oorzaak:Te lage temperatuur op de geleiderplaat LSTMAG20 (PFC)
    Oplossing:Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen
    no | Prg
    Oorzaak:geen opgeslagen programma gekozen
    Oplossing:opgeslagen programma kiezen
    no | IGn
    Oorzaak: De functie 'Ignition Time-Out' is actief; binnen de in het setup-menu ingestelde gestimuleerde draadlengte is geen geleiding tot stand gekomen. De veiligheidsuitschakeling van de stroombron is in werking getreden
    Oplossing:Vrij draadeinde inkorten, meermaals de brandertoets indrukken; het werkstukoppervlak reinigen; eventueel in setup-menu de parameter 'Ito' instellen
    no | ARC
    Oorzaak:Lichtboogonderbreking bij het TIG-lassen
    Oplossing:Brandertoets herhaaldelijk indrukken, werkstukoppervlak reinigen
    EPG | 17
    Oorzaak: Het geselecteerde lasprogramma is ongeldig
    Remedie:Een geldig lasprogramma selecteren
    EPG | 35
    Oorzaak: Bepalen van de weerstand van het lascircuit is mislukt
    Oplossing:Aardingskabel, stroomkabel of slangenpakket controleren en indien nodig vervangen, lascircuit-weerstand opnieuw bepalen
    1. Storingen opheffen en onderhoud

    Verzorging, onderhoud en recycling

    Algemeen

    Het lassysteem heeft onder normale bedrijfsomstandigheden slechts minimale verzorging en onderhoud nodig. Enkele punten verdienen echter absoluut aandacht, om het lassysteem jarenlang gebruiksklaar te houden.

    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Verzorging, onderhoud en recycling

    Algemeen

    Het lassysteem heeft onder normale bedrijfsomstandigheden slechts minimale verzorging en onderhoud nodig. Enkele punten verdienen echter absoluut aandacht, om het lassysteem jarenlang gebruiksklaar te houden.

    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Verzorging, onderhoud en recycling

    Veiligheid

    GEVAAR!

    Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.

    U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.

    Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.

    GEVAAR!

    Gevaar door elektrische stroom.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.

    Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.

    Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.

    GEVAAR!

    Gevaar door ontoereikende randaardeverbindingen.

    Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.

    De schroeven van de behuizing vormen een geschikte verbinding van de randaarde, voor de aarding van de behuizing.

    De schroeven van de behuizing mogen in geen geval worden vervangen door andere schroeven zonder betrouwbare verbinding van de randaarde.

    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Verzorging, onderhoud en recycling

    Onderhoud bij iedere inbedrijfname

    • Controleren of de netstekker en de netkabel alsmede de lasbrander en de elektrodehouder onbeschadigd zijn. Beschadigde onderdelen vervangen.
    • Ervoor zorgen dat de lasbrander / elektrodehouder en de aardingskabel correct volgens dit document op de stroombron aangesloten en geschroefd / vergrendeld zijn
    • Controleren of er een correcte massaverbinding met het werkstuk bestaat.
    • Controleren of er een vrije ruimte rond het apparaat van 0,5 m (1 ft. 8 in.) bedraagt, zodat de koellucht ongehinderd kan toestromen en ontsnappen. De luchtinstroom- en uitstroomopeningen mogen in geen geval zijn bedekt, ook niet deels.
    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Verzorging, onderhoud en recycling

    Onderhoud indien nodig, ten minste om de 2 maanden

    1
    2

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door nat luchtfilter.

    Dit kan schade aan eigendommen veroorzaken

    Ervoor zorgen dat het luchtfilter droog is tijdens de installatie.

    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Verzorging, onderhoud en recycling

    Onderhoud elke 6 maanden

    VOORZICHTIG!

    Gevaar door persluchtinwerking.

    Dit kan schade aan eigendommen veroorzaken.

    Elektronische onderdelen niet van korte afstand schoonblazen.

    1Het rechterzijstuk van het apparaat (van voren gezien) demonteren en de binnenkant van het apparaat met droge, gereduceerde perslucht schoonblazen
    2Bij grote stofproductie ook de ventilatie-openingen reinigen
    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Verzorging, onderhoud en recycling

    Recycling

    Het afvoeren mag uitsluitend volgens de nationale en regionale bepalingen plaatsvinden.

    1. Storingen opheffen en onderhoud

    Vastzittende aandrijfrollen demonteren

    Vastzittende aandrijfrol demonteren

    Indien de aandrijfrol handmatig moeilijk te demonteren is, kan voor de demontage de aandrijfrol de kartelschroef van de D100-rem worden gebruikt:
    1
    2
    3
    4
    1. Storingen opheffen en onderhoud
    2. Vastzittende aandrijfrollen demonteren

    Vastzittende aandrijfrol demonteren

    Indien de aandrijfrol handmatig moeilijk te demonteren is, kan voor de demontage de aandrijfrol de kartelschroef van de D100-rem worden gebruikt:
    1
    2
    3
    4

    Annex

    Gemiddelde verbruikswaarden bij het lassen

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij het MIG/MAG-lassen

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 5 m/min

     

    Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm

    Draadelektrode van staal

    1,8 kg/h

    2,7 kg/h

    4,7 kg/h

    Draadelektrode van aluminium

    0,6 kg/h

    0,9 kg/h

    1,6 kg/h

    Draadelektrode van CrNi

    1,9 kg/h

    2,8 kg/h

    4,8 kg/h

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 10 m/min

     

    Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm

    Draadelektrode van staal

    3,7 kg/h

    5,3 kg/h

    9,5 kg/h

    Draadelektrode van aluminium

    1,3 kg/h

    1,8 kg/h

    3,2 kg/h

    Draadelektrode van CrNi

    3,8 kg/h

    5,4 kg/h

    9,6 kg/h

    1. Annex

    Gemiddelde verbruikswaarden bij het lassen

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij het MIG/MAG-lassen

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 5 m/min

     

    Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm

    Draadelektrode van staal

    1,8 kg/h

    2,7 kg/h

    4,7 kg/h

    Draadelektrode van aluminium

    0,6 kg/h

    0,9 kg/h

    1,6 kg/h

    Draadelektrode van CrNi

    1,9 kg/h

    2,8 kg/h

    4,8 kg/h

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 10 m/min

     

    Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm

    Draadelektrode van staal

    3,7 kg/h

    5,3 kg/h

    9,5 kg/h

    Draadelektrode van aluminium

    1,3 kg/h

    1,8 kg/h

    3,2 kg/h

    Draadelektrode van CrNi

    3,8 kg/h

    5,4 kg/h

    9,6 kg/h

    1. Annex
    2. Gemiddelde verbruikswaarden bij het lassen

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij het MIG/MAG-lassen

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 5 m/min

     

    Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm

    Draadelektrode van staal

    1,8 kg/h

    2,7 kg/h

    4,7 kg/h

    Draadelektrode van aluminium

    0,6 kg/h

    0,9 kg/h

    1,6 kg/h

    Draadelektrode van CrNi

    1,9 kg/h

    2,8 kg/h

    4,8 kg/h

    Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 10 m/min

     

    Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm

    Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm

    Draadelektrode van staal

    3,7 kg/h

    5,3 kg/h

    9,5 kg/h

    Draadelektrode van aluminium

    1,3 kg/h

    1,8 kg/h

    3,2 kg/h

    Draadelektrode van CrNi

    3,8 kg/h

    5,4 kg/h

    9,6 kg/h

    1. Annex
    2. Gemiddelde verbruikswaarden bij het lassen

    Gemiddeld beschermgasverbruik bij het MIG/MAG-lassen

    Diameter van draadelektrode

    1,0 mm

    1,2 mm

    1,6 mm

    2,0 mm

    2 x 1,2 mm (TWIN)

    Gemiddeld verbruik

    10 l/min

    12 l/min

    16 l/min

    20 l/min

    24 l/min

    1. Annex
    2. Gemiddelde verbruikswaarden bij het lassen

    Gemiddeld beschermgasverbruik bij het TIG-lassen

    Grootte van gasmondstuk

    4

    5

    6

    7

    8

    10

    Gemiddeld verbruik

    6 l/min

    8 l/min

    10 l/min

    12 l/min

    12 l/min

    15 l/min

    1. Annex

    Technische gegevens

    Overzicht van kritieke grondstoffen, productiejaar van apparaat

    Overzicht van kritieke grondstoffen:
    Op de volgende internetpagina is een overzicht te vinden van de kritieke grondstoffen die dit apparaat bevat:
    www.fronius.com/en/about-fronius/sustainability.

    Productiejaar van apparaat berekenen:
    • Elk apparaat is van een serienummer voorzien
    • Het serienummer bestaat uit acht cijfers, bijvoorbeeld 28020099
    • De eerste twee cijfers vormen het getal waaruit het productiejaar van het apparaat kan worden berekend
    • Hiervoor moet 11 van dit getal worden afgetrokken
      • Voorbeeld: Serienummer = 28020065, berekening van productiejaar = 28 - 11 = 17, productiejaar = 2017
    1. Annex
    2. Technische gegevens

    Overzicht van kritieke grondstoffen, productiejaar van apparaat

    Overzicht van kritieke grondstoffen:
    Op de volgende internetpagina is een overzicht te vinden van de kritieke grondstoffen die dit apparaat bevat:
    www.fronius.com/en/about-fronius/sustainability.

    Productiejaar van apparaat berekenen:
    • Elk apparaat is van een serienummer voorzien
    • Het serienummer bestaat uit acht cijfers, bijvoorbeeld 28020099
    • De eerste twee cijfers vormen het getal waaruit het productiejaar van het apparaat kan worden berekend
    • Hiervoor moet 11 van dit getal worden afgetrokken
      • Voorbeeld: Serienummer = 28020065, berekening van productiejaar = 28 - 11 = 17, productiejaar = 2017
    1. Annex
    2. Technische gegevens

    Speciale spanning

    Bij apparaten die op speciale spanning zijn berekend, gelden de technische gegevens op het kenplaatje.

    1. Annex
    2. Technische gegevens

    Verklaring van het begrip 'inschakelduur'

    De inschakelduur (in het Duits: Einschaltdauer, ED) is dat gedeelte van een cyclus van 10 minuten waarin het apparaat met het aangegeven vermogen kan worden gebruikt zonder oververhit te raken.

    OPMERKING!

    De op het kenplaatje vermelde waarden voor de ED hebben betrekking op een omgevingstemperatuur van 40°C.

    Als de omgevingstemperatuur hoger is, moet de ED of het vermogen dienovereenkomstig worden verlaagd.

    Voorbeeld: Lassen met 150 A bij 60% van de inschakelduur

    • Lasfase = 60% van 10 min. = 6 min.
    • Afkoelfase = resterende tijd = 4 min.
    • Na de afkoelfase begint de cyclus opnieuw.

    Als het apparaat zonder onderbrekingen moet werken:

    1In de technische gegevens de 100%-waarde voor de inschakelduur opzoeken die geldt voor de heersende omgevingstemperatuur.
    2Aan de hand van deze waarde het vermogen of de stroomsterkte zodanig reduceren dat het apparaat zonder afkoelfase kan worden gebruikt.
    1. Annex
    2. Technische gegevens

    TransSteel 2200

    Netspanning (U1)

     

     

     

    1 x

    230 V

    Max. effectieve primaire stroom (I1eff)

     

     

     

     

    16 A

    Max. primaire stroom (I1max)

     

     

     

    26 A

    Netbeveiliging

    16 A traag gezekerd

    Max. schijnbaar vermogen (S1max)

    5,98 kVA

     

     

     

     

     

     

     

    Tolerantie netspanning

    -20 / +15%

    Lichtnetfrequentie

    50 / 60 Hz

    Cos Phi (1)

    0,99

    Max. toelaatbare netimpedantie Zmax bij PCC1)

     

    250,02 mOhm

    Aanbevolen lekstroom-beveiligingsschakelaar

     

    Type B

     

     

     

     

     

     

     

    Lasstroombereik (I2)

     

     

     

     

     

    MIG / MAG

     

     

    10 - 210 A

    Staafelektrode

     

     

    10 - 180 A

    TIG

     

     

    10 - 230 A

    Lasstroom bij

    10 min / 40 °C (104 °F)

     

    30 %

    60 %

    100 %

    MIG/MAG

    U1 230 V

     

     

    210 A

    170 A

    150 A

    Lasstroom bij

    10 min / 40 °C (104 °F)

     

    35 %

    60 %

    100 %

    Staafelektrode

    U1 230 V

     

     

    180 A

    150 A

    130 A

    Lasstroom bij

    10 min / 40 °C (104 °F)

     

    35 %

    60 %

    100 %

    TIG

    U1 230 V

     

     

    230 A

    200 A

    170 A

    Bereik uitgangsspanning volgens normcurve (U2)

     

     

     

    MIG / MAG

     

     

    14,5 - 24,5 V

    Staafelektrode

     

     

    20,4 - 27,2 V

    TIG

     

     

    10,4 - 19,2 V

    Nullastspanning (U0 peak / U0 r.m.s)

     

    90 V

     

     

     

     

     

     

     

    Beschermingsklasse

     

     

    IP 23

    Koelwijze

     

     

    AF

    Overspanningscategorie

     

     

    III

    Vervuilingsgraad volgens norm IEC60664

     

    3

    EMV-emissieklasse

     

    A2)

    Veiligheidssymbolen

     

    S, CE

    Afmetingen l x b x h

     

    560 x 215 x 370 mm
    22,05 x 8,46 x 14,57 in.

    Gewicht

     

     

    15 kg
    33,07 lb.

     

     

     

     

     

     

     

    Maximale druk beschermgas

     

     

    5 bar
    72,52 psi

     

     

     

     

     

     

     

    Draadsnelheid

     

    1,5 - 18 m/min
    59,06 - 708,66 ipm

    Draadaandrijving

     

    2-rollenaandrijving

    Draaddiameter

    0,6 - 1,2 mm
    0,025 - 0,047 in.

    Draadspoeldiameter

     

    max. 200 mm
    max. 7,87 in.

    Gewicht van draadspoel

     

    max. 6,8 kg
    max. 14,99 lb.

    Max. geluidsemissie (LWA)

     

    65,5 dB

    Energieverbruik in nullasttoestand bij 230 V

     

    17,4 W

    Energie-efficiëntie van stroombron bij
    210 A / 24,5 V

     

    89 %

    1)
    Interface voor openbaar elektriciteitsnet met 230 V en 50 Hz
    2)
    Een apparaat van de emissieklasse A is niet bedoeld voor het gebruik in woongebieden waarin de stroomtoevoer via een openbaar laagspanningsnet loopt.
    De elektromagnetische compatibiliteit kan door geleide of uitgestraalde radiofrequenties worden beïnvloed.
    1. Annex
    2. Technische gegevens

    TransSteel 2200 MV

    Netspanning (U1)

     

     

     

    1 x

    120 V

    Max. effectieve primaire stroom (I1eff)

     

     

     

     

    15 A

    Max. primaire stroom (I1max)

     

     

     

    20 A

    Netbeveiliging

    15 A traag gezekerd

    Max. schijnbaar vermogen (S1max)

    2,40 kVA

     

     

     

     

     

     

     

    Netspanning (U1)

     

     

     

    1 x

    120 V

    Max. effectieve primaire stroom (I1eff)

     

     

     

     

    20 A

    Max. primaire stroom (I1max)

     

     

     

    29 A

    Netbeveiliging

    20 A traag gezekerd

    Max. schijnbaar vermogen (S1max)

    3,48 kVA

     

     

     

     

     

     

     

    Netspanning (U1)

     

     

     

    1 x

    230 V

    Max. effectieve primaire stroom (I1eff)

     

     

     

     

    16 A

    Max. primaire stroom (I1max)

     

     

     

    26 A

    Netbeveiliging

    16 A traag gezekerd

    Max. schijnbaar vermogen (S1max)

    5,98 kVA

     

     

     

     

     

     

     

    Netspanning (U1)

     

     

     

    1 x

    240 V

    Max. effectieve primaire stroom (I1eff)

     

     

     

     

    15 A

    Max. primaire stroom (I1max)

     

     

     

    26 A

    Netbeveiliging2)

    20 A traag gezekerd3)

    Max. schijnbaar vermogen (S1max)

    6,24 kVA

     

     

     

     

     

     

     

    Tolerantie netspanning

    -20 / +15%

    Lichtnetfrequentie

    50 / 60 Hz

    Cos Phi

    0,99

    Max. toelaatbare netimpedantie Zmax bij PCC1)

     

    250,02 mOhm

    Aanbevolen lekstroom-beveiligingsschakelaar

     

    Type B

     

     

     

     

     

     

     

    Lasstroombereik (I2)

     

     

     

     

     

    MIG / MAG

     

     

    10 - 210 A

    Staafelektrode

     

     

    10 - 180 A

    TIG

     

     

    10 - 230 A

    Lasstroom bij

    10 min / 40 °C (104 °F)

     

    30 %

    60 %

    100 %

    MIG/MAG

    U1 120 V

    (15 A)

     

    105 A

    95 A

    80 A

     

    U1 120 V

    (20 A)

     

    135 A

    120 A

    105 A

     

    U1 230 V

     

     

    210 A

    170 A

    150 A

    Lasstroom bij

    10 min / 40 °C (104 °F)

     

    35 %

    60 %

    100 %

    Staafelektrode

    U1 120 V

    (15 A)

     

    90 A

    80 A

    70 A

     

    U1 120 V

    (20 A)

     

    110 A

    100 A

    90 A

     

    U1 230 V

     

     

    180 A

    150 A

    130 A

    Lasstroom bij

    10 min / 40 °C (104 °F)

     

    35 %

    60 %

    100 %

    TIG

    U1 120 V

    (15 A)

     

    135 A

    120 A

    105 A

     

    U1 120 V

    (20 A)

     

    160 A

    150 A

    130 A

     

    U1 230 V

     

     

    230 A

    200 A

    170 A

    Bereik uitgangsspanning volgens normcurve (U2)

     

     

     

    MIG / MAG

     

     

    14,5 - 24,5 V

    Staafelektrode

     

     

    20,4 - 27,2 V

    TIG

     

     

    10,4 - 19,2 V

    Nullastspanning (U0 peak / U0 r.m.s)

     

    90 V

     

     

     

     

     

     

     

    Beschermingsklasse

     

     

    IP 23

    Koelwijze

     

     

    AF

    Overspanningscategorie

     

     

    III

    Vervuilingsgraad volgens norm IEC60664

     

    3

    EMV-emissieklasse

     

    A4)

    Veiligheidssymbolen

     

    S, CE, CSA

    Afmetingen l x b x h

     

    560 x 215 x 370 mm
    22,05 x 8,46 x 14,57 in.

    Gewicht

     

     

    15,2 kg
    33,51 lb.

     

     

     

     

     

     

     

    Maximale druk beschermgas

     

     

    5 bar
    72,52 psi

     

     

     

     

     

     

     

    Draadsnelheid

     

    1,5 - 18 m/min
    59,06 - 708,66 ipm

    Draadaandrijving

     

    2-rollenaandrijving

    Draaddiameter

    0,6 - 1,2 mm
    0,025 - 0,047 in.

    Draadspoeldiameter

     

    max. 200 mm
    max. 7,87 in.

    Gewicht van draadspoel

     

    max. 6,8 kg
    max. 14,99 lb.

    Max. geluidsemissie (LWA)

     

    65,5 dB

    Energieverbruik in nullasttoestand bij 230 V

     

    17,4 W

    Energie-efficiëntie van stroombron bij
    210 A / 24,5 V

     

    89 %

    1)
    Interface voor openbaar elektriciteitsnet met 230 V en 50 Hz.
    2)
    Geldt alleen voor USA:
    Als in plaats van een zekering een automatische zekering wordt gebruikt, moet de stroom-/tijdkarakteristiek van de automatische zekering overeenkomen met de bovenstaande netbeveiliging.
    Als de afschakelstroom van de automatische zekering hoger is dan de afschakelstroom van de bovenstaande netbeveiliging, dan is dit eveneens toegestaan.
    3)
    Geldt alleen voor USA:
    Trage zekering volgens UL-klasse RK5 (zie UL 248).
    4)
    Een apparaat van de emissieklasse A is niet bedoeld voor het gebruik in woongebieden waarin de stroomtoevoer via een openbaar laagspanningsnet loopt.
    De elektromagnetische compatibiliteit kan door geleide of uitgestraalde radiofrequenties worden beïnvloed.
    1. Annex
    2. Technische gegevens

    China Energy Label

    TransSteel 2200c EF

    TransSteel 2200 Set EF

     

     

     

     

     

    1. Annex

    Lasprogrammatabellen

    Lasprogrammatabel TSt 2200

    Lasprogrammadatabank: DB 3815

    1. Annex
    2. Lasprogrammatabellen

    Lasprogrammatabel TSt 2200

    Lasprogrammadatabank: DB 3815