Duidt op een onmiddellijk dreigend gevaar.
Wanneer dit gevaar niet wordt vermeden, heeft dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
Duidt op een mogelijk gevaarlijke situatie.
Wanneer deze situatie niet wordt vermeden, kan dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben.
Duidt op een situatie die mogelijk schade tot gevolg kan hebben.
Wanneer deze situatie niet wordt vermeden, kan dit lichte of geringe verwondingen evenals materiële schade tot gevolg hebben.
Duidt op de mogelijkheid van minder goede resultaten en mogelijke beschadiging van de apparatuur.
Duidt op een onmiddellijk dreigend gevaar.
Wanneer dit gevaar niet wordt vermeden, heeft dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
Duidt op een mogelijk gevaarlijke situatie.
Wanneer deze situatie niet wordt vermeden, kan dit de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben.
Duidt op een situatie die mogelijk schade tot gevolg kan hebben.
Wanneer deze situatie niet wordt vermeden, kan dit lichte of geringe verwondingen evenals materiële schade tot gevolg hebben.
Duidt op de mogelijkheid van minder goede resultaten en mogelijke beschadiging van de apparatuur.
De bedieningshandleiding moet worden bewaard op de plaats waar het apparaat wordt gebruikt. Naast de bedieningshandleiding moet bovendien de overkoepelende en lokale regelgeving ter voorkoming van ongevallen en ter bescherming van het milieu worden nageleefd.
Alle aanwijzingen met betrekking tot veiligheid en gevaren op het apparaat:De plaatsen waar de aanwijzingen met betrekking tot veiligheid en gevaren op het apparaat zijn aangebracht, vindt u in het hoofdstuk "Algemeen" in de handleiding van het apparaat.
Storingen die de veiligheid nadelig kunnen beïnvloeden, moeten zijn verholpen voordat het apparaat wordt ingeschakeld.
Het gaat om uw eigen veiligheid!
Het apparaat is uitsluitend bestemd voor werkzaamheden overeenkomstig het bedoelde gebruik.
Het apparaat is uitsluitend voor de op het kenplaatje vermelde laswerkzaamheden bestemd.
Ieder ander of afwijkend gebruik geldt als gebruik niet overeenkomstig de bedoeling. De fabrikant is niet aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade.
Het apparaat is ontworpen voor gebruik in industrie- en productieomgevingen. De fabrikant is niet verantwoordelijk voor schade die ontstaat door gebruik in woonomgevingen.
De fabrikant aanvaardt evenmin aansprakelijkheid voor gebrekkige of onjuiste resultaten.
Gebruik of opslag van het apparaat buiten het aangegeven bereik geldt niet als gebruik overeenkomstig de bedoeling. De fabrikant is niet aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade.
Temperatuurbereik van de omgevingslucht:Omgevingslucht: vrij van stof, zuren, corrosieve gassen of substanties, enz.
Hoogte boven de zeespiegel: tot 2.000 m (6561 ft. 8.16 in.)
Er moet regelmatig worden gecontroleerd of het personeel in voldoende mate veiligheidsbewust werkt.
Voordat personen die met het apparaat werken, de werkplek verlaten, dienen zij na te gaan of er ook tijdens hun afwezigheid geen persoonlijk letsel of materiële schade kan ontstaan.
Apparaten met een hoog vermogen kunnen vanwege hun stroomopname de energiekwaliteit van het stroomnetwerk beïnvloeden.
Dit kan voor bepaalde apparaattypen consequenties hebben in de vorm van:*) telkens bij de aansluiting op het openbare stroomnetwerk
zie de technische gegevens
In dat geval moet de eigenaar of de gebruiker van het apparaat eerst nagaan of het apparaat wel mag worden aangesloten. Indien nodig dient hiertoe te worden overlegd met de energieleverancier.
BELANGRIJK! Zorg voor een veilige aarding van de netaansluiting!
De rook die bij het lassen ontstaat, bevat gassen en dampen die een gevaar voor de gezondheid vormen.
Lasrook bevat stoffen die volgens monografie 118 van het International Agency for Research on Cancer kanker veroorzaken.
Ruimte op tijd schoon zuigen.
Indien mogelijk een lasbrander met geïntegreerd zuigapparaat gebruiken.
Uw gezicht uit de buurt van lasrook en gassen houden.
Ontstane rook en schadelijke gassenZorg voor voldoende toevoer van buitenlucht. Controleren of te allen tijde een ventilatie van minstens 20 m³/uur wordt aangehouden.
Indien de ventilatie onvoldoende is, gebruikt u een lashelm met luchttoevoer.
Indien niet geheel duidelijk is of de ventilatie voldoende is, vergelijkt u de gemeten emissies van schadelijke stoffen met de toelaatbare grenswaarden.
Voor de mate waarin de lasrook schadelijk is, zijn onder meer de volgende componenten verantwoordelijk:De aanwijzingen in de veiligheidsinformatiebladen voor genoemde componenten in acht nemen en de instructies van de fabrikant opvolgen.
Aanbevelingen voor blootstellingsscenario's en maatregelen voor risicobeheer en voor de identificatie van arbeidsomstandigheden zijn op de website van de European Welding Association in het gedeelte Health & Safety te vinden (https://european-welding.org).
Ervoor zorgen dat ontvlambare dampen (bijvoorbeeld van oplosmiddelen) niet binnen het stralingsbereik van de boog terechtkomen.
Als er niet wordt gelast, het ventiel van de beschermgasfles of de hoofdgaskraan sluiten.
Vonken kunnen brand en explosies veroorzaken.
Voer nooit laswerkzaamheden uit in de nabijheid van brandbare materialen.
Brandbare materialen moeten ten minste 11 meter (36 ft. 1.07 in.) van de boog verwijderd zijn of worden voorzien van een betrouwbare afdekking.
Houd een geschikte, geteste brandblusser bij de hand.
Vonken en hete metaaldeeltjes kunnen ook door kleine kieren en openingen in de omgeving terechtkomen. Om te voorkomen dat hierdoor kans op letsel of brandgevaar ontstaat, moet u passende maatregelen nemen.
Niet lassen in brand- en explosiegevaarlijke omgevingen of aan gesloten tanks, vaten en buizen als deze niet zijn voorbereid conform de nationale en internationale normen.
Er mag niet worden gelast aan houders waarin zich gassen, drijfstoffen, minerale oliën e.d. bevinden/hebben bevonden. Restanten van deze stoffen kunnen een explosie veroorzaken.
Een elektrische schok is per definitie levensgevaarlijk en kan dodelijk zijn.
Spanningvoerende delen binnen en buiten het apparaat niet aanraken.
Bij MIG/MAG- en TIG-lassen zijn ook de lasdraad, de draadspoel, de aandrijfrollen en alle metalen onderdelen die met de lasdraad in aanraking komen, spanningvoerend.
De draadtoevoer altijd op een voldoende geïsoleerde ondergrond plaatsen of een geschikte, isolerende unit gebruiken voor de draadtoevoer.
Om uzelf en anderen adequaat tegen aarde- en massapotentiaal te beschermen, dient u te zorgen voor een voldoende isolerende, droge ondergrond of afdekking. De ondergrond of afdekking moet het gebied tussen lichaam en aarde- of massapotentiaal volledig afdekken.
Alle kabels en leidingen moeten goed zijn bevestigd, onbeschadigd en geïsoleerd zijn, en een voldoende dikke kern hebben. Losse verbindingen, verschroeide of beschadigde kabels, of leidingen met een te kleine kern direct vervangen.
Voor elk gebruik de stroomverbindingen handmatig op stevigheid controleren.
Bij stroomkabels met bajonetplug de stroomkabel minimaal 180° om de lengte-as draaien en voorspannen.
Kabels en leidingen niet om uw lichaam of om lichaamsdelen wikkelen.
De laselektrode (staafelektrode, wolfraamelektrode, lasdraad, enz.)Tussen de elektroden van twee lasapparaten kan zich bijvoorbeeld de dubbele nullastspanning van één lasapparaat voordoen. Bij gelijktijdige aanraking van de potentialen van beide elektroden bestaat dan onder bepaalde omstandigheden levensgevaar.
De net- en apparaatkabels regelmatig door een elektromonteur op een juiste werking van de randaarde laten controleren.
Om goed te kunnen werken, hebben apparaten van beschermingsklasse I een stroomnetwerk met randaarde evenals een stekkersysteem met randaardecontact nodig.
Het apparaat op een stroomnetwerk zonder randaarde of een stopcontact zonder randaardecontact aansluiten is alleen toegestaan als alle nationale bepalingen voor veilige scheiding worden nageleefd.
Anders geldt dit als grof nalatig. De fabrikant is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade.
Indien noodzakelijk met hiertoe geschikte middelen voor voldoende aarding van het werkstuk zorgen.
Niet-gebruikte apparaten uitschakelen.
Bij werkzaamheden op hoogte een valbeschermingsuitrusting dragen.
Voor u werkzaamheden aan het apparaat uitvoert, moet u het apparaat uitschakelen en de netstekker uit de wandcontactdoos halen.
Een duidelijk leesbaar en begrijpelijk waarschuwingsbord plaatsen om te voorkomen dat de netstekker opnieuw in de wandcontactdoos wordt gestoken en het apparaat weer wordt ingeschakeld.
Na het openen van het apparaat:Indien u werkzaamheden moet uitvoeren aan spanningvoerende delen, dient u samen te werken met een tweede persoon die de hoofdschakelaar bijtijds kan uitschakelen.
Voor een stevige verbinding tussen de werkstukklem en het werkstuk zorgen.
De werkstukklem zo dicht mogelijk bij de plaats waar u gaat lassen, bevestigen.
Het apparaat zodanig plaatsen dat het voldoende is geïsoleerd voor een elektrisch geleidende omgeving, zoals voor een geleidende bodem of geleidende onderstellen.
Bij het gebruik van stroomverdelers, units met een dubbele kop enz. rekening houden met het volgende: Ook de elektrode van de niet-gebruikte lastoorts/elektrodenhouder is spanningvoerend. Voor een voldoende geïsoleerde opslagpositie voor de niet-gebruikte lastoorts/elektrodenhouder zorgen.
Bij geautomatiseerde MIG/MAG-toepassingen moet de elektrode goed geïsoleerd van de lasdraadhouder, grote spoel of draadspoel naar de draadtoevoer worden geleid.
EMV-apparaatclassificatie volgens kenplaatje of technische gegevens.
In uitzonderlijke gevallen kan er, ondanks het naleven van de emissiegrenswaarden, sprake zijn van beïnvloeding van het geëigende gebruiksgebied (bijvoorbeeld als zich op de installatielocatie gevoelige apparatuur bevindt of als de installatielocatie is gelegen in de nabijheid van radio- of televisieontvangers).
In dit geval is de gebruiker verplicht adequate maatregelen te treffen om de storing op te heffen.
Uw handen niet in de draaiende tandwielen van de draadaandrijving of in draaiende machineonderdelen steken.
Afdekkingen en zijdelen mogen uitsluitend worden geopend/verwijderd gedurende het uitvoeren van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden.
Tijdens het gebruik:Het uitsteken van de lasdraad uit de lastoorts levert een hoog risico op letsel op (verwondingen aan handen, gezicht, ogen enz.).
Daarom altijd de lastoorts weghouden van het lichaam (apparaten met draadaanvoerunit) en een geschikte veiligheidsbril gebruiken.
Het werkstuk tijdens en na het lassen niet aanraken i.v.m. verbrandingsgevaar.
Van afkoelende werkstukken kan slak afspringen. Daarom ook bij het nabewerken van werkstukken de voorgeschreven beschermende uitrusting dragen en ervoor zorgen dat andere personen voldoende zijn beschermd.
Lastoortsen en andere uitrustingscomponenten met een hoge bedrijfstemperatuur laten afkoelen voordat u ermee gaat werken.
In ruimtes met een verhoogd risico op brand of explosie gelden bijzondere voorschriften.
- geldende nationale en internationale bepalingen in acht nemen.
Stroombronnen voor werkzaamheden in ruimten met een verhoogd elektrisch risico (bijvoorbeeld ketels) moeten zijn voorzien van het symbool (Safety). De stroombron zelf mag zich echter niet in zulke ruimten bevinden.
Verbrandingsgevaar door uittredend koelmiddel. Het koelapparaat uitschakelen voordat u de aansluiting van de koelmiddeltoevoer/-afvoer afkoppelt.
Bij het werken met koelmiddel de aanwijzingen op het veiligheidsinformatieblad voor het koelmiddel in acht nemen. U kunt het veiligheidsinformatieblad aanvragen via de servicedienst van de fabrikant of downloaden op diens website.
Gebruik voor het kraantransport van apparaten uitsluitend geschikte lastopnamemiddelen van de fabrikant.
Bij kraanophanging van de draadaanvoer tijdens het lassen altijd een geschikte, isolerende draadaanvoerophanging gebruiken (MIG/MAG- en TIG-apparaten).
Als het apparaat is voorzien van een draagriem of -greep, mag deze uitsluitend worden gebruikt om het apparaat met de hand te dragen. De draagriem/-greep is niet geschikt voor transport van het apparaat per kraan, vorkheftruck of ander mechanisch hefwerktuig.
Alle aanslagmiddelen (riemen, beugels, kettingen enz.) die voor het transport van het apparaat of onderdelen ervan worden gebruikt, moeten regelmatig worden gecontroleerd (bijvoorbeeld op mechanische beschadigingen, corrosie en aantasting door omgevingsinvloeden).
Interval en omvang van deze controles moeten minimaal voldoen aan de geldende nationale normen en richtlijnen.
Bij gebruik van een adapter voor de beschermgasaansluiting bestaat het gevaar dat er onopgemerkt kleur- en reukloos beschermgas vrijkomt. Het is daarom verstandig om vóór het monteren de schroefdraad aan apparaatzijde van de adapter voor de beschermgasaansluiting met geschikte Teflon-tape te omwikkelen.
Gebruik indien nodig filters!
Beschermgasflessen bevatten gas onder druk. Beschadigde flessen kunnen exploderen. Aangezien beschermgasflessen deel uitmaken van de lasuitrusting, moet er uiterst voorzichtig mee worden omgegaan.
Stel beschermgasflessen met verdicht gas niet bloot aan te grote hitte, mechanisch geweld, slak, open vuur, vonken en lasbogen.
Monteer beschermgasflessen altijd loodrecht en volgens de handleiding, zodat ze niet om kunnen vallen.
Houd beschermgasflessen uit de buurt van elektrische stroomkringen (van het lasapparaat en andere apparatuur).
Hang nooit een lastoorts op aan een beschermgasfles.
Raak een fles met beschermgas nooit aan met een laselektrode.
Explosiegevaar - voer nooit laswerkzaamheden uit aan een beschermgasfles onder druk.
Gebruik uitsluitend beschermgasflessen die geschikt zijn voor de specifieke werkzaamheden. Gebruik alleen bijbehorende, geschikte accessoires (regelaars, slangen, fittingen, enz.). Gebruik beschermgasflessen en accessoires alleen als deze in goede staat zijn.
Draai bij het openen van het ventiel van de fles met beschermgas het gezicht weg van de uitlaat.
Wordt er niet gelast, sluit dan het ventiel van de beschermgasfles.
Laat bij niet-aangesloten beschermgasflessen de kap op het ventiel zitten.
Houd u aan de aanwijzingen van de fabrikant van de beschermgasfles en de accessoires, en neem de betreffende nationale en internationale bepalingen in acht.
Verstikkingsgevaar door ongecontroleerd uitstromen van beschermgas
Dit kleur- en geurloze beschermgas kan bij uitstromen in de omgevingslucht het aanwezige zuurstof verdringen.
Zorg er door middel van instructies en controles binnen het bedrijf voor dat de omgeving van de werkplek altijd schoon en overzichtelijk is.
Plaats en gebruik het apparaat uitsluitend volgens de op het kenplaatje aangeduide beschermingsklasse.
Bij het opstellen van het apparaat een vrije ruimte van 0,5 m (1 ft. 7,69 in.) rondom aanhouden, zodat de koellucht ongehinderd kan in- en uitstromen.
Zorg er bij het transport van het apparaat voor dat u zich houdt aan de geldende nationale en regionale richtlijnen en veiligheidsvoorschriften. Dit geldt met name voor de richtlijnen met betrekking tot potentiële gevaren bij verzending en transport.
Actieve apparaten niet optillen of transporteren. Schakel apparaten altijd uit voordat u ze optilt of transporteert!
Tap het koelmiddel altijd volledig af voordat u het apparaat transporteert. Demonteer vóór transport bovendien de volgende onderdelen:Stel het apparaat na transport niet meteen in dienst, maar voer eerst een grondige visuele controle uit. Laat eventuele beschadigingen vóór de inbedrijfname door vakkundig onderhoudspersoneel repareren.
Laat niet volledig operationele veiligheidsvoorzieningen repareren voordat u het apparaat inschakelt.
Veiligheidsvoorzieningen nooit omzeilen of buiten werking stellen.
Voordat u het apparaat inschakelt, dient u te controleren of er niemand gevaar loopt.
Controleer ten minste eenmaal per week of het apparaat zichtbare schade vertoont en of de veiligheidsvoorzieningen naar behoren werken.
Bevestig beschermgasflessen altijd op de juiste manier en verwijder ze van tevoren bij kraantransport.
Op grond van de eigenschappen (mate van elektrische geleidbaarheid en brandbaarheid, vorstbeschermingsgraad, combineerbaarheid met bepaalde grondstoffen enz.) is alleen het originele koelmiddel van de fabrikant geschikt voor gebruik in onze apparaten.
Gebruik uitsluitend een geschikt origineel koelmiddel van de fabrikant.
Vermeng het originele koelmiddel van de fabrikant niet met andere koelmiddelen.
Sluit alleen systeemcomponenten van de fabrikant op het koelcircuit aan.
Gebruikt u toch andere systeemcomponenten of een ander koelmiddel en ontstaat hierdoor schade, dan is de fabrikant hiervoor niet aansprakelijk en vervalt elke aanspraak op garantie.
Cooling Liquid FCL 10/20 is niet ontvlambaar. Koelmiddel op basis van ethanol is onder bepaalde omstandigheden ontvlambaar. Vervoer het koelmiddel alleen in gesloten, originele houders en houd het verwijderd van mogelijke ontstekingsbronnen.
Voer afgewerkt koelmiddel af volgens de geldende nationale en internationale voorschriften. U kunt het veiligheidsinformatieblad aanvragen via de servicedienst van de fabrikant of downloaden op diens website.
Controleer, voordat u begint met lassen, altijd de stand van het koelmiddel in het apparaat in afgekoelde toestand.
Mijd niet-originele onderdelen; hiervan kan niet worden gewaarborgd dat ze voldoende robuust en veilig zijn geconstrueerd/geproduceerd.
De behuizingschroeven geven de randaardeverbinding voor de aarding van de behuizingonderdelen weer.
Gebruik altijd het correcte aantal originele behuizingschroeven met het aangegeven aanhaalmoment.
De fabrikant raadt aan om ten minste eenmaal per 12 maanden een veiligheidscontrole aan het apparaat uit te laten voeren.
De fabrikant raadt bovendien aan de gebruikte stroombronnen te kalibreren, eveneens om de 12 maanden.
Een veiligheidscontrole door een gekwalificeerde elektromonteur wordt aanbevolen:Voor de veiligheidscontrole dient u zich te houden aan de geldende nationale en internationale normen en richtlijnen.
Voor meer informatie over het uitvoeren van veiligheidscontroles en kalibraties kunt u zich wenden tot de servicedienst. Deze verstrekt u op verzoek alle noodzakelijke documentatie.
Oude elektrische en elektronische apparaten moeten volgens de Europese richtlijnen en het nationale recht gescheiden worden ingezameld en milieuvriendelijk worden gerecycled. Gebruikte apparaten moeten bij de handelaar worden afgegeven of bij een lokaal, geautoriseerd verzamelings- en verwerkingssysteem worden ingeleverd. Een correcte verwerking van het oude apparaat vereist dat materiële hulpbronnen duurzaam worden gerecycled. Gebeurt dit niet, dan hebben de gezondheid en het milieu hier mogelijk onder te lijden.
Verpakkingsmaterialen
Gescheiden inzameling. Controleer de voorschriften van uw gemeente. Verklein het volume van de doos.
Apparaten met CE-aanduiding voldoen aan de eisen die in de richtlijnen voor laagspanningscompatibiliteit en elektromagnetische compatibiliteit worden gesteld (zoals de relevante productnormen van de normenreeks EN 60 974).
Fronius International GmbH verklaart dat het apparaat voldoet aan richtlijn 2014/53/EU. De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is online beschikbaar op: http://www.fronius.com
Apparaten die zijn voorzien van het CSA-testsymbool voldoen aan de eisen van de relevante Canadese en Amerikaanse normen.
De gebruiker is zelf verantwoordelijk voor het beveiligen van gegevens die afwijken van de fabrieksinstellingen. Voor schade die ontstaat door gewiste persoonlijke instellingen is de fabrikant niet aansprakelijk.
Het auteursrecht op deze handleiding berust bij de fabrikant.
Tekst en afbeeldingen komen overeen met de stand van de techniek bij het ter perse gaan. Wijzigingen voorbehouden. Aan de inhoud van deze handleiding kan de gebruiker geen rechten ontlenen. Hebt u een voorstel tot verbetering? Ziet u een fout in deze handleiding? Wij zijn u dankbaar voor uw opmerkingen.
De stroombronnen TransSteel (TSt) 2700c MP en TSt 3500c MP zijn volledig gedigitaliseerde, door een microprocessor aangestuurde inverterstroombronnen.
Het modulaire ontwerp en de eenvoudige mogelijkheid tot systeemuitbreiding zorgen voor optimale flexibiliteit. De apparaten zijn geconstrueerd voor het lassen van staal.
De stroombronnen TransSteel (TSt) 2700c MP en TSt 3500c MP zijn volledig gedigitaliseerde, door een microprocessor aangestuurde inverterstroombronnen.
Het modulaire ontwerp en de eenvoudige mogelijkheid tot systeemuitbreiding zorgen voor optimale flexibiliteit. De apparaten zijn geconstrueerd voor het lassen van staal.
De stroombronnen TransSteel (TSt) 2700c MP en TSt 3500c MP zijn volledig gedigitaliseerde, door een microprocessor aangestuurde inverterstroombronnen.
Het modulaire ontwerp en de eenvoudige mogelijkheid tot systeemuitbreiding zorgen voor optimale flexibiliteit. De apparaten zijn geconstrueerd voor het lassen van staal.
Op de stroombronnen staan de volgende lasmethodes ter beschikking:
MIG/MAG-lassen
Elektrodelassen
TIG-lassen met aanraakontsteking
De centrale besturings- en regeleenheid van de stroombron is gekoppeld aan een digitale signaalprocessor. Centrale besturings- en regeleenheid en signaalprocessor sturen het gehele lasproces.
Tijdens het lasproces worden steeds actuele gegevens gemeten; op veranderingen wordt meteen gereageerd. De gewenste condities worden in stand gehouden door uitgekiende regelalgoritmen.
Het apparaat beschikt over de veiligheidsfunctie "Begrenzing van de vermogenslimiet". Deze maakt het mogelijk de stroombron tot aan de vermogenslimiet te gebruiken, zonder hierbij de procesveiligheid in gevaar te brengen.
Het resultaat hiervan is:De apparaten worden in de handel en industrie gebruikt: handmatige toepassingen met klassieke stalen, gegalvaniseerde platen.
Het toepassingsgebied van de TSt 2700c MP ligt hoofdzakelijk op het gebied van dunne staalplaten (lichte staalbouw).
Reparaties, onderhoud en montage in werven, bij autoleveranciers, werkplaatsen of in de meubelbouw behoren tot de typische toepassingsgebieden. De stroombron TSt 2700c MP positioneert zich daardoor qua vermogenscategorie tussen industriële en handwerktoepassingen.
Op de stroombronnen bevinden zich diverse waarschuwingen en veiligheidssymbolen. Deze waarschuwingen en veiligheidssymbolen mogen niet worden verwijderd of overgeschilderd. De waarschuwingen en symbolen waarschuwen voor een verkeerde bediening die kan resulteren in ernstig letsel en zware materiële schade.
Veiligheidssymbolen op het kenplaatje:
Lassen is gevaarlijk. Aan de volgende basisvoorwaarden moet worden voldaan:
De beschreven functies pas gebruiken nadat de volgende documenten volledig zijn gelezen en begrepen:
Bij bepaalde apparaatuitvoeringen zijn waarschuwingen op het apparaat aangebracht.
De rangschikking van de symbolen kan verschillen.
| ! | Waarschuwing! Let op! De symbolen stellen mogelijke gevaren voor. |
| A | Aandrijfrollen kunnen vingers beschadigen. |
| B | Lasdraad en aandrijfdelen staan tijdens het bedrijf onder lasspanning. Handen en metalen voorwerpen uit de buurt houden! |
| 1. | Een elektrische schok kan dodelijk zijn. |
| 1.1 | Droge, geïsoleerde handschoenen dragen. De draadelektrode niet met blote handen aanraken. Geen natte of beschadigde handschoenen dragen. |
| 1.2 | Als bescherming tegen een elektrische schok een onderlaag gebruiken die van de bodem en het werkbereik is geïsoleerd. |
| 1.3 | Voor u werkzaamheden aan het apparaat uitvoert, moet u het apparaat uitschakelen en de netstekker uit de wandcontactdoos trekken of de stroomvoorziening loskoppelen. |
| 2. | Het inademen van lasrook kan schadelijk zijn voor de gezondheid. |
| 2.1 | Uw gezicht uit de buurt van lasrook houden. |
| 2.2 | Geforceerde ventilatie of een lokale afzuiging gebruiken om de lasrook te verwijderen. |
| 2.3 | Lasrook met een ventilator verwijderen. |
| 3 | Lasvonken kunnen een explosie of brand veroorzaken. |
| 3.1 | Brandbaar materiaal uit de buurt van het lasproces houden. Geen laswerkzaamheden uitvoeren in de buurt van brandbaar materiaal. |
| 3.2 | Lasvonken kunnen leiden tot brand. Brandblusser gereedhouden. Er eventueel voor zorgen dat een opzichter klaarstaat die de brandblusser kan bedienen. |
| 3.3 | Niet op vaten of gesloten accubehuizingen lassen. |
| 4. | Lichtboogstralen kunnen de ogen verbranden en de huid beschadigen. |
| 4.1 | Hoofdbedekking en beschermbril dragen. Gehoorbescherming en hemdskraag met knoop dragen. Een lashelm met de juiste kleur gebruiken. Het hele lichaam met geschikte beschermkleding bedekken. |
| 5. | Voor werkzaamheden aan de machine of het lassen: vertrouwd raken met het apparaat en de instructies lezen! |
| 6. | De sticker met waarschuwingen niet verwijderen of overschilderen. |
| * | Bestelnummer van de fabrikant op de sticker |
De stroombronnen kunnen met verschillende systeemcomponenten en opties worden aangedreven. Afhankelijk van het inzetgebied van de stroombronnen kunnen daardoor verwerkingen worden geoptimaliseerd, en de werking en bediening worden vereenvoudigd.
De stroombronnen kunnen met verschillende systeemcomponenten en opties worden aangedreven. Afhankelijk van het inzetgebied van de stroombronnen kunnen daardoor verwerkingen worden geoptimaliseerd, en de werking en bediening worden vereenvoudigd.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
| Nr. | Functie |
|---|---|
| (1) | MIG/MAG-lasbrander |
| (2) | Stabilisering van de gasfleshouder |
| (3) | Stroombron |
| (4) | Wagen en gasfleshouder |
| (5) | Aarde- en elektrodekabel |
| (6) | TIG-lasbrander |
| Nr. | Functie |
|---|---|
| (1) | MIG/MAG-lasbrander |
| (2) | Stabilisering van de gasfleshouder |
| (3) | Stroombron |
| (4) | Koelapparaat alleen TSt 3500c |
| (5) | Wagen en gasfleshouder |
| (6) | Aarde- en elektrodekabel |
| (7) | TIG-lasbrander |
Het bedieningspaneel is qua functies logisch opgebouwd. De afzonderlijke voor het lassen benodigde parameters laten zich
Met het bedieningspaneel Synergic berekent de stroombron aan de hand van algemene gegevens, zoals plaatdikte, toevoegmateriaal, draaddiameter en beschermgas, de optimale instelling van de lasparameters. Daardoor wordt opgeslagen expertise telkens bruikbaar gemaakt. Handmatige correcties kunnen altijd worden uitgevoerd. Ook ondersteunt het bedieningspaneel Synergic het puur handmatige instellen van de parameters.
Naar aanleiding van software-updates kunnen er op uw apparaat functies beschikbaar zijn die in deze bedieningshandleiding niet worden beschreven, of omgekeerd.
Bovendien kunnen enkele afbeeldingen enigszins afwijken van de bedieningselementen op uw apparaat. De werking van deze bedieningselementen is echter gelijk.
Het bedieningspaneel is qua functies logisch opgebouwd. De afzonderlijke voor het lassen benodigde parameters laten zich
Met het bedieningspaneel Synergic berekent de stroombron aan de hand van algemene gegevens, zoals plaatdikte, toevoegmateriaal, draaddiameter en beschermgas, de optimale instelling van de lasparameters. Daardoor wordt opgeslagen expertise telkens bruikbaar gemaakt. Handmatige correcties kunnen altijd worden uitgevoerd. Ook ondersteunt het bedieningspaneel Synergic het puur handmatige instellen van de parameters.
Naar aanleiding van software-updates kunnen er op uw apparaat functies beschikbaar zijn die in deze bedieningshandleiding niet worden beschreven, of omgekeerd.
Bovendien kunnen enkele afbeeldingen enigszins afwijken van de bedieningselementen op uw apparaat. De werking van deze bedieningselementen is echter gelijk.
Het bedieningspaneel is qua functies logisch opgebouwd. De afzonderlijke voor het lassen benodigde parameters laten zich
Met het bedieningspaneel Synergic berekent de stroombron aan de hand van algemene gegevens, zoals plaatdikte, toevoegmateriaal, draaddiameter en beschermgas, de optimale instelling van de lasparameters. Daardoor wordt opgeslagen expertise telkens bruikbaar gemaakt. Handmatige correcties kunnen altijd worden uitgevoerd. Ook ondersteunt het bedieningspaneel Synergic het puur handmatige instellen van de parameters.
Naar aanleiding van software-updates kunnen er op uw apparaat functies beschikbaar zijn die in deze bedieningshandleiding niet worden beschreven, of omgekeerd.
Bovendien kunnen enkele afbeeldingen enigszins afwijken van de bedieningselementen op uw apparaat. De werking van deze bedieningselementen is echter gelijk.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
| |||||
Plaatdikte in mm of inch | |||||
Lasstroom in A *) | |||||
Draadsnelheid in m/min of ipm *) | |||||
| |||||
| |||||
| |||||
| |||||
| |||||
| |||||
Lengtecorrectie lichtboog | |||||
Lasspanning in V *) | |||||
Dynamiek | |||||
Real Energy Input | |||||
| |||||
| |||||
| |||||
| |||||
| MANUAL - MIG/MAG-standaard-handmatig lassen | ||||
| SYNERGIC - MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen | ||||
| Elektrodelassen | ||||
| TIG-lassen | ||||
| |||||
| 2 T - 2-taktbedrijf | ||||
| 4 T - 4-taktbedrijf | ||||
| Speciaal 4-taktbedrijf | ||||
| Puntlassen / intervallassen | ||||
| |||||
| |||||
| |||||
| |||||
| |||||
| *) | Is een van deze parameters gekozen, dan zijn bij de lasprocedure MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen op basis van de functie synergisch lassen automatisch ook alle andere parameters en de parameter Lasspanning ingesteld. |
| **) | De weergave Real Energy Input moet in het setup-menu niveau 2 worden geactiveerd - parameter EnE. Tijdens het lassen wordt de waarde voortdurend verhoogd overeenkomstig de constant toenemende energietoevoer. Tot de volgende lasstart of het opnieuw inschakelen van de stroombron blijft de definitieve waarde aan het einde van het lassen opgeslagen - de weergave HOLD brandt. |
Door het gelijktijdig indrukken van de toetsen Parameterkeuze kunnen er diverse serviceparameters worden opgeroepen.
Weergave openen
De eerste parameter, "Firmwareversie", wordt weergegeven, bijv. "1.00 | 4.21"
Parameter selecteren
Met de toetsen Bedrijfsmodus en Procedure of het stelwiel links de gewenste Setup-parameter kiezen
Beschikbare parameters
Toelichting | |
|---|---|
Voorbeeld: | Firmwareversie |
Voorbeeld: | Configuratie lasprogramma |
Voorbeeld: | Nummer van het momenteel geselecteerde lasprogramma |
Voorbeeld: | Weergave van werkelijke brandtijd van lichtboog sinds het eerste gebruik |
Voorbeeld: | Motorstroom voor draadaandrijving in A |
2nd | Tweede menuniveau voor servicetechnici |
Om onbedoelde instellingswijzigingen op het bedieningspaneel te voorkomen, kunt u de toetsenblokkering inschakelen. Zolang de toetsenblokkering actief is
Toetsenblokkering activeren / deactiveren:
Toetsenblokkering actief:
Op het scherm wordt de melding "CLO | SEd" weergegeven.
Toetsenblokkering niet actief:
Op het scherm wordt de melding "OP | En" weergegeven.
De toetsenblokkering kan ook via de optie Sleutelschakelaar worden geactiveerd en gedeactiveerd.
| (1) | Aansluiting LocalNet Gestandaardiseerde aansluiting voor afstandsbediening |
| (2) | Aansluiting lasbrander voor opname van de lasbrander |
| (3) | Aansluiting TMC (TIG Multi Connector) voor het aansluiten van de TIG-lasbrander |
| (4) | (+) Stroombus met bajonetsluiting dient voor het
|
| (5) | (-) Stroombus met bajonetsluiting dient voor het
|
| (6) | Poolomkeerder voor het selecteren van de laspotentiaal die op de MIG/MAG-lasbrander wordt toegepast |
| (7) | Aansluiting beschermgas MIG/MAG voor de beschermgastoevoer van de lasbranderaansluiting (2) |
| (8) | Aansluiting Beschermgas TIG voor de beschermgastoevoer van de (-) stroombus (5) |
| (9) | Netkabel met trekontlasting niet bij alle apparaatvarianten voorgemonteerd |
| (10) | Netschakelaar voor het in- en uitschakelen van de stroombron |
| (11) | LED-binnenverlichting draadspoel Uitschakeltijd met setup-parameter LED instelbaar |
| (12) | Draadspoelopname met rem voor opname genormeerde draadspoel met een diameter van max. 300 mm (11,81 inch) en een gewicht van max. 19 kg (41,89 lbs.) |
| (13) | 4-rollenaandrijving |
| (1) | Aansluiting LocalNet Gestandaardiseerde aansluiting voor afstandsbediening |
| (2) | Aansluiting lasbrander voor opname van de lasbrander |
| (3) | Aansluiting TMC (TIG Multi Connector) voor het aansluiten van de TIG-lasbrander |
| (4) | (+) Stroombus met bajonetsluiting dient voor het
|
| (5) | (-) Stroombus met bajonetsluiting dient voor het
|
| (6) | Poolomkeerder voor het selecteren van de laspotentiaal die op de MIG/MAG-lasbrander wordt toegepast |
| (7) | Aansluiting beschermgas MIG/MAG voor de beschermgastoevoer van de lasbranderaansluiting (2) |
| (8) | Aansluiting Beschermgas TIG voor de beschermgastoevoer van de (-) stroombus (5) |
| (9) | Netkabel met trekontlasting niet bij alle apparaatvarianten voorgemonteerd |
| (10) | Netschakelaar voor het in- en uitschakelen van de stroombron |
| (11) | LED-binnenverlichting draadspoel Uitschakeltijd met setup-parameter LED instelbaar |
| (12) | Draadspoelopname met rem voor opname genormeerde draadspoel met een diameter van max. 300 mm (11,81 inch) en een gewicht van max. 19 kg (41,89 lbs.) |
| (13) | 4-rollenaandrijving |
| (1) | (-) Stroombus met bajonetsluiting dient voor het
|
| (2) | Aansluiting lasbrander voor opname van de lasbrander |
| (3) | Aansluiting TMC (TIG Multi Connector) voor het aansluiten van de TIG-lasbrander |
| (4) | Netschakelaar voor het in- en uitschakelen van de stroombron |
| (5) | Aansluiting LocalNet Gestandaardiseerde aansluiting voor afstandsbediening |
| (6) | (+) Stroombus met bajonetsluiting dient voor het
|
| (7) | Poolomkeerder voor het selecteren van de laspotentiaal die op de MIG/MAG-lasbrander wordt toegepast |
| (8) | Aansluiting beschermgas MIG/MAG voor de beschermgastoevoer van de lasbranderaansluiting (2) |
| (9) | Aansluiting Beschermgas TIG voor de beschermgastoevoer van de (-) stroombus (1) |
| (10) | Sticker EASY DOCUMENTATION |
| (11) | Netkabel met trekontlasting niet bij alle apparaatvarianten voorgemonteerd |
| (12) | Draadspoelopname met rem voor opname genormeerde draadspoel met een diameter van max. 300 mm (11,81 inch) en een gewicht van max. 19 kg (41,89 lbs.) |
| (13) | 4-rollenaandrijving |
Afhankelijk van de lasprocedure is een bepaalde minimum uitrusting nodig om met de stroombron te werken.
Hierna worden de lasprocedures en de benodigde minimum uitrusting voor de lasprocedure beschreven.
Afhankelijk van de lasprocedure is een bepaalde minimum uitrusting nodig om met de stroombron te werken.
Hierna worden de lasprocedures en de benodigde minimum uitrusting voor de lasprocedure beschreven.
Afhankelijk van de lasprocedure is een bepaalde minimum uitrusting nodig om met de stroombron te werken.
Hierna worden de lasprocedures en de benodigde minimum uitrusting voor de lasprocedure beschreven.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
Gevaar door elektrische stroom.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.
Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.
Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
Gevaar door elektrische stroom.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.
Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.
Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.
De stroombron is uitsluitend bedoeld voor MIG/MAG-, elektrode- en WIG-lassen. Ieder ander of afwijkend gebruik geldt als niet overeenkomstig de bedoeling. De fabrikant is niet aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade.
Tot gebruik overeenkomstig de bedoeling behoort ookConform beschermingsklasse IP 23 kan het apparaat in de buitenlucht worden opgesteld en gebruikt.
Direct binnendringend vocht (bijv. door regen) moet echter worden vermeden.
Gevaar door naar beneden vallende of omvallende apparaten.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Stel het apparaat op op een vlakke, vaste ondergrond. Zorg dat het apparaat stabiel staat.
Na de montage controleren of alle schroefverbindingen goed vastzitten.
Risico op elektrische stroom door elektrisch geleidend stof in het apparaat.
Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.
Het apparaat alleen met een gemonteerd luchtfilter gebruiken. Het luchtfilter is een belangrijke veiligheidsvoorziening om beschermingsklasse IP 23 te bereiken.
Het ventilatiekanaal is een belangrijke veiligheidsvoorziening. Bij het kiezen van de opstelplaats moet erop worden gelet dat de koellucht ongehinderd door de ventilatiespleten aan de voor- en achterkant in en uit kan stromen. Erop letten dat elektrisch geleidend stof (dat bijvoorbeeld bij het slijpen ontstaat) niet het apparaat wordt ingezogen.
De apparaten zijn voor de op het kenplaatje aangegeven netspanning geschikt. Is de netkabel of de netstekker bij uw apparaat niet aangebracht, dan moeten deze volgens de nationale normen gemonteerd worden. De beveiliging van de netvoedingskabel vindt u in de technische gegevens.
Gevaar door elektrische installatie met onvoldoende elektrische capaciteit.
Dit kan schade aan eigendommen veroorzaken.
De netvoedingskabel en de beveiliging daarvan moeten overeenkomstig de aanwezige stroomvoorziening worden aangelegd.
De technische gegevens op het kenplaatje zijn van toepassing.
De stroombronnen zijn geschikt voor gebruik met een generator.
Voor het bepalen van het benodigde generatorvermogen is het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron vereist.
Het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron wordt als volgt berekend:
3-fasige apparaten: S1max = I1max x U1 x √3
1-fasige apparaten: S1max = I1max x U1
I1max en U1 volgens het kenplaatje van het apparaat of de technische gegevens
Het benodigde schijnbare vermogen van de generator SGEN wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
SGEN = S1max x 1,35
Als er niet met maximaal vermogen wordt gelast, kan er een kleinere generator worden gebruikt.
BELANGRIJK! Het schijnbare vermogen van de generator SGEN mag niet kleiner zijn dan het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron!
Bij het gebruiken van een 1-fasig apparaat in combinatie met een 3-fasige generator moet erop worden gelet dat het aangegeven schijnbare vermogen van de generator kan vaak uitsluitend beschikbaar zijn als geheel van de drie fasen. Raadpleeg zo nodig voor meer informatie de fabrikant van de generator.
De aangegeven generatorspanning mag in geen geval hoger of lager zijn dan het toegestane gebied van de netspanningstolerantie.
De gegevens ten aanzien van de netspanningstolerantie vindt u in het gedeelte "Technische gegevens".
De stroombronnen zijn geschikt voor gebruik met een generator.
Voor het bepalen van het benodigde generatorvermogen is het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron vereist.
Het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron wordt als volgt berekend:
3-fasige apparaten: S1max = I1max x U1 x √3
1-fasige apparaten: S1max = I1max x U1
I1max en U1 volgens het kenplaatje van het apparaat of de technische gegevens
Het benodigde schijnbare vermogen van de generator SGEN wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
SGEN = S1max x 1,35
Als er niet met maximaal vermogen wordt gelast, kan er een kleinere generator worden gebruikt.
BELANGRIJK! Het schijnbare vermogen van de generator SGEN mag niet kleiner zijn dan het maximale schijnbare vermogen S1max van de stroombron!
Bij het gebruiken van een 1-fasig apparaat in combinatie met een 3-fasige generator moet erop worden gelet dat het aangegeven schijnbare vermogen van de generator kan vaak uitsluitend beschikbaar zijn als geheel van de drie fasen. Raadpleeg zo nodig voor meer informatie de fabrikant van de generator.
De aangegeven generatorspanning mag in geen geval hoger of lager zijn dan het toegestane gebied van de netspanningstolerantie.
De gegevens ten aanzien van de netspanningstolerantie vindt u in het gedeelte "Technische gegevens".
Bij de multivoltagevariant (MV) van de stroombron is naast een driefasig bedrijf een lasbedrijf mogelijk met beperkt(e) vermogen of duur met slechts een eenfasige voeding. Daarbij is het maximaal mogelijke lasvermogen door de dimensionering van de netbeveiliging beperkt, waaraan de veiligheidsuitschakeling van de stroombron zich aanpast.
Beschikt de netvoedingskabel over een zekering van 20 of 30 A, dan kan de parameter FUS op 20 of 30 A worden ingesteld. Daardoor kan met een hoger maximaal vermogen of langer worden gelast. De parameter FUS bevindt zich in het setup-menu niveau 2 en kan op zowel eenfasige voeding als op de US-setting (parameter SEt naar US) worden ingesteld.
Om de stroombron eenfasig te kunnen gebruiken, moet aan de volgende voorwaarde zijn voldaan:
De volgende tabel laat zien welke netspanningen en zekeringswaarden in eenfasig bedrijf leiden tot begrenzing van de lasstroom:
Netspanning | Proces | ED [%] | Begrenzing van de lasstroom [A] |
|---|---|---|---|
230 V | MIG/MAG | 40 | 160 |
Staafelektrode | 40 | 140 | |
TIG | 35 | 180 | |
230 V | MIG/MAG | 40 | 170 |
Staafelektrode | 40 | 140 | |
TIG | 35 | 210 | |
230 V | MIG/MAG | 40 | 180 |
Staafelektrode | 40 | 150 | |
TIG | 35 | 220 | |
240 V | MIG/MAG | 40 | 180 |
Staafelektrode | 40 | 40 | |
TIG | 35 | 220 | |
240 V | MIG/MAG | 40 | 200 |
Staafelektrode | 40 | 180 | |
TIG | 35 | 260 | |
240 V | MIG/MAG | 40 | 220 |
Staafelektrode | 40 | 180 | |
TIG | 35 | 260 |
| ED | = inschakelduur |
| * | De 100%-gegevens hebben betrekking op tijdelijk onbeperkt lassen, zonder afkoelpauzes. |
De lasstroomspecificaties zijn van toepassing bij een omgevingstemperatuur van 40 °C (104 °F).
Bij een netspanning van 240 V en een zekeringswaarde van 30 A is de maximale waarde van 220 A voor het MIG/MAG-lassen bijvoorbeeld bij een inschakelduur van 40% mogelijk.
In eenfasig bedrijf voorkomt een veiligheidsuitschakeling dat de beveiliging bij hogere lasprestaties wordt geactiveerd. De veiligheidsuitschakeling is bij zekeringswaarden van 15 A, 16 A en 20 A actief en bepaalt de mogelijke lasduur zonder dat de zekering wordt geactiveerd. De servicecode 'toF' wordt weergegeven wanneer bij overschrijding van de vooraf berekende lastijd de lasstroom wordt uitgeschakeld. Naast 'toF' wordt vanaf dat moment een countdown weergegeven van de resterende wachttijd tot lassen via de stroombron weer mogelijk is. Daarna verdwijnt het bericht en kan de stroombron weer gebruikt worden.
Bij een zekeringswaarde van 30 A zorgt de temperatuurbewaking van de stroombron voor een tijdige uitschakeling van de lasstroom. Daarbij wordt de servicecode 'to1' tot 'to7' weergegeven. Uitgebreide informatie over de servicecodes 'to1' t/m 'to7' leest u in het hoofdstuk 'Foutdiagnose, foutoplossing', paragraaf 'Weergegeven servicecodes'. Is er geen sprake van een mankement of bevuilde koelcomponenten, dan is ook hier na een adequate laspauze lassen weer mogelijk.
Bij de multivoltagevariant (MV) van de stroombron is naast een driefasig bedrijf een lasbedrijf mogelijk met beperkt(e) vermogen of duur met slechts een eenfasige voeding. Daarbij is het maximaal mogelijke lasvermogen door de dimensionering van de netbeveiliging beperkt, waaraan de veiligheidsuitschakeling van de stroombron zich aanpast.
Beschikt de netvoedingskabel over een zekering van 20 of 30 A, dan kan de parameter FUS op 20 of 30 A worden ingesteld. Daardoor kan met een hoger maximaal vermogen of langer worden gelast. De parameter FUS bevindt zich in het setup-menu niveau 2 en kan op zowel eenfasige voeding als op de US-setting (parameter SEt naar US) worden ingesteld.
Om de stroombron eenfasig te kunnen gebruiken, moet aan de volgende voorwaarde zijn voldaan:
De volgende tabel laat zien welke netspanningen en zekeringswaarden in eenfasig bedrijf leiden tot begrenzing van de lasstroom:
Netspanning | Proces | ED [%] | Begrenzing van de lasstroom [A] |
|---|---|---|---|
230 V | MIG/MAG | 40 | 160 |
Staafelektrode | 40 | 140 | |
TIG | 35 | 180 | |
230 V | MIG/MAG | 40 | 170 |
Staafelektrode | 40 | 140 | |
TIG | 35 | 210 | |
230 V | MIG/MAG | 40 | 180 |
Staafelektrode | 40 | 150 | |
TIG | 35 | 220 | |
240 V | MIG/MAG | 40 | 180 |
Staafelektrode | 40 | 40 | |
TIG | 35 | 220 | |
240 V | MIG/MAG | 40 | 200 |
Staafelektrode | 40 | 180 | |
TIG | 35 | 260 | |
240 V | MIG/MAG | 40 | 220 |
Staafelektrode | 40 | 180 | |
TIG | 35 | 260 |
| ED | = inschakelduur |
| * | De 100%-gegevens hebben betrekking op tijdelijk onbeperkt lassen, zonder afkoelpauzes. |
De lasstroomspecificaties zijn van toepassing bij een omgevingstemperatuur van 40 °C (104 °F).
Bij een netspanning van 240 V en een zekeringswaarde van 30 A is de maximale waarde van 220 A voor het MIG/MAG-lassen bijvoorbeeld bij een inschakelduur van 40% mogelijk.
In eenfasig bedrijf voorkomt een veiligheidsuitschakeling dat de beveiliging bij hogere lasprestaties wordt geactiveerd. De veiligheidsuitschakeling is bij zekeringswaarden van 15 A, 16 A en 20 A actief en bepaalt de mogelijke lasduur zonder dat de zekering wordt geactiveerd. De servicecode 'toF' wordt weergegeven wanneer bij overschrijding van de vooraf berekende lastijd de lasstroom wordt uitgeschakeld. Naast 'toF' wordt vanaf dat moment een countdown weergegeven van de resterende wachttijd tot lassen via de stroombron weer mogelijk is. Daarna verdwijnt het bericht en kan de stroombron weer gebruikt worden.
Bij een zekeringswaarde van 30 A zorgt de temperatuurbewaking van de stroombron voor een tijdige uitschakeling van de lasstroom. Daarbij wordt de servicecode 'to1' tot 'to7' weergegeven. Uitgebreide informatie over de servicecodes 'to1' t/m 'to7' leest u in het hoofdstuk 'Foutdiagnose, foutoplossing', paragraaf 'Weergegeven servicecodes'. Is er geen sprake van een mankement of bevuilde koelcomponenten, dan is ook hier na een adequate laspauze lassen weer mogelijk.
Voor het eenfasige bedrijf volgt in het hoofdstuk "Technische gegevens” een opgave van inschakelduurwaarden afhankelijk van de beschikbare zekeringswaarden en de lasstroom. Hoewel de procentuele gegevens van deze inschakelduurwaarden eveneens betrekking hebben op de cyclus van 10 minuten, zoals in het hoofdstuk "Technische gegevens” voor de algemene inschakelduur wordt uitgelegd, duurt de afkoelfase van de zekering slechts 60 s. Daarna kan met de stroombron weer worden gelast.
In verband met regelgeving wordt de inschakelduur in het eenfasebedrijf alleen tot de uitschakeling in de eerste lascyclus weergegeven. Indien ook m.b.t. de afkoelfases het verband met de cyclus van 10 minuten bestaat die voor het aangeven van de inschakelduur gewoonlijk geldig is, ontstaan in de praktijk langere lasfases dan aangegeven. Er worden namelijk afkoelfases van slechts 60 s weergegeven, waarna de stroombron weer kan lassen.
Het volgende voorbeeld toont de gestandaardiseerde las- en pauzecycli bij een lasstroom van 180 A en een inschakelduur van 15%.
Het volgende diagram toont de mogelijke lastijd per norm, afhankelijk van de beschikbare zekeringswaarden en lasstroom.
(1) Netbeveiliging 10 A (2) Netbeveiliging 13 A (3) Netbeveiliging 15 A
(4) Netbeveiliging 16 A (5) Netbeveiliging 20 A
Gevaar door verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.
De hieronder beschreven werkzaamheden mogen uitsluitend door geschoold personeel worden uitgevoerd.
De nationale normen en richtlijnen moeten worden opgevolgd.
Gevaar door ondeskundig voorbereide netkabel.
Dit kan kortsluitingen of schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle fasegeleiders en de randaarde van de uitgedreven netkabel moeten worden voorzien van ader-eindhulzen.
Gevaar door verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.
De hieronder beschreven werkzaamheden mogen uitsluitend door geschoold personeel worden uitgevoerd.
De nationale normen en richtlijnen moeten worden opgevolgd.
Gevaar door ondeskundig voorbereide netkabel.
Dit kan kortsluitingen of schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle fasegeleiders en de randaarde van de uitgedreven netkabel moeten worden voorzien van ader-eindhulzen.
Een trekontlasting voor de volgende kabeldoorsneden is op de stroombron gemonteerd:
Stroombron | Kabeldoorsnede |
|
TSt 2700c MP | AWG 14 tot AWG 6 *) | 4G2.5 |
TSt 3500c MP | AWG 12 *) | 4G2.5 |
| *) | Kabeltype Canada / VS: Extra-hard usage |
Trekontlastingen voor kabels met andere doorsneden kunnen op dezelfde wijze worden bevestigd.
Stroombron | Netspanning | Kabeldoorsnede |
|
TSt 2700c MP | 1 x 230 / 240 V | AWG 14 (15 A) *) | 3G2.5 (16 A) |
TSt 2700c MP | 1 x 240 V | AWG 12 (20 A) *) | - |
TSt 2700c MP | 1 x 240 V | AWG 12 (30 A) *) | - |
TSt 2700c MP | 3 x 200 V | AWG 12 | 4G2.5 |
TSt 2700c MP | 3 x 230 / 240 V | AWG 14 | 4G2.5 |
TSt 2700c MP | 3 x 380 / 400 V | AWG 14 *) | 4G2.5 |
| 3 x 460 V | AWG 14 *) | 4G2.5 |
TSt 3500c MP | 3 x 380 / 400 V | AWG 12 *) | 4G2.5 |
| 3 x 460 V | AWG 12 *) | 4G2.5 |
| *) | Kabeltype Canada / VS: Extra-hard usage |
De onderdeelnummers van de verschillende kabels vindt u in de lijst van reserveonderdelen.
American wire gauge (= Amerikaanse draaddikte)
Als er geen netkabel is aangesloten, moet voor de ingebruikname een voor de aansluitspanning geschikte netkabel worden gemonteerd.
De randaarde (PE) moet ca. 10 - 15 mm (0,4 - 0,6 inch) langer zijn dan de fasegeleider (L1) en de neutrale draad (N).
De geometrie van de aanwezige netschakelaar kan van de afbeelding afwijken.
De netkabel wordt op dezelfde manier aangesloten.
Netkabel aansluiten:
BELANGRIJK! De fasegeleiders, neutrale draden en randaarde in de buurt van de trekontlasting samenbinden met behulp van kabelbinders.
Als er geen netkabel is aangesloten, moet voor de ingebruikname een voor de aansluitspanning geschikte netkabel worden gemonteerd.
De randaarde moet ca. 10 - 15 mm (0,4 - 0,6 inch) langer zijn dan de fasegeleiders.
De geometrie van de aanwezige netschakelaar kan van de afbeelding afwijken.
De netkabel wordt op dezelfde manier aangesloten.
Netkabel aansluiten:
BELANGRIJK! De fasegeleiders in de buurt van de trekontlasting samenbinden met behulp van kabelbinders.
Als er geen netkabel is aangesloten, moet voor de ingebruikname een voor de aansluitspanning geschikte netkabel worden gemonteerd.
De randaarde moet ca. 10 - 15 mm (0,4 - 0,6 inch) langer zijn dan de fasegeleiders.
BELANGRIJK! De fasegeleiders in de buurt van de blokklem samenbinden met behulp van kabelbinders.
De hierna beschreven werkstappen en taken bevatten verwijzingen naar verschillende systeemonderdelen, zoals
Nauwkeurige informatie over de montage en aansluiting van de systeemonderdelen vindt u in de betreffende bedieningshandleidingen van de systeemonderdelen.
De hierna beschreven werkstappen en taken bevatten verwijzingen naar verschillende systeemonderdelen, zoals
Nauwkeurige informatie over de montage en aansluiting van de systeemonderdelen vindt u in de betreffende bedieningshandleidingen van de systeemonderdelen.
Onjuist uitgevoerde werkzaamheden kunnen ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
De hierna beschreven werkzaamheden mogen uitsluitend door geschoold personeel worden uitgevoerd!
Het hoofdstuk 'Veiligheidsvoorschriften' moet in acht worden genomen!
De volgende afbeelding geeft u een overzicht van de constructie van de afzonderlijke systeemcomponenten.
Gedetailleerde informatie over de betreffende handelingen bevinden zich in de gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten.
Kans op ernstig letsel en/of zware materiële schade door omvallende gasflessen.
Bij gebruik van gasflessen
Gasflessen altijd stabiel opstellen: op een stevige, vlakke ondergrond plaatsen
Gasflessen tegen omvallen beveiligen
de optionele draadtoevoeropname monteren
De veiligheidsvoorschriften van de gasflesfabrikant opvolgen.
Amerikaanse apparaten (alleen TSt 3500c) worden met een adapter voor de gasleiding geleverd:
Vóór het vastschroeven van de adapter de buitenliggende schroefdraad op het gasmagneetventiel met een geschikt materiaal afdichten.
Adapter op gasdichtheid controleren.
Onjuiste bediening kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Gebruik de beschreven functies pas nadat deze gebruiksaanwijzing volledig is gelezen en begrepen.
Gebruik de beschreven functies pas nadat alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten (in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften) volledig zijn gelezen en begrepen.
De inbedrijfname van het apparaat gebeurt bij handmatige toepassingen door het indrukken van de brandertoets.
Onjuiste bediening kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Gebruik de beschreven functies pas nadat deze gebruiksaanwijzing volledig is gelezen en begrepen.
Gebruik de beschreven functies pas nadat alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten (in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften) volledig zijn gelezen en begrepen.
De inbedrijfname van het apparaat gebeurt bij handmatige toepassingen door het indrukken van de brandertoets.
Onjuiste bediening kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Gebruik de beschreven functies pas nadat deze gebruiksaanwijzing volledig is gelezen en begrepen.
Gebruik de beschreven functies pas nadat alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten (in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften) volledig zijn gelezen en begrepen.
De inbedrijfname van het apparaat gebeurt bij handmatige toepassingen door het indrukken van de brandertoets.
Bij het aansluiten van de lasbrander controleren of
alle aansluitingen vast zijn aangesloten
alle kabels, leidingen en slangenpakket onbeschadigd en juist geïsoleerd zijn.
| * | De TSt 3500c MP kan optioneel met een koelapparaat worden uitgerust. Koelmiddelslangen zijn alleen bij een watergekoelde lasbrander aanwezig. |
Risico op lichamelijk letsel door opverende aandrijfrollenhouders.
Bij het ontgrendelen van de hendel de vingers buiten het bereik links en rechts van de hendel houden.
Om te zorgen voor een optimale ontsluiting van de draadelektrode moeten de aandrijfrollen aan de thermisch te lassen draaddiameter en de draadlegering zijn aangepast.
Een overzicht van de beschikbare aandrijfrollen vindt u in de lijst van reserveonderdelen.
Risico op lichamelijk letsel door veerwerking van de opgerolde draadelektrode.
Bij het inzetten van de draadspoel / korfspoel het uiteinde van de draadelektrode goed vasthouden om verwondingen door terugspringende draadelektrode te vermijden.
Gevaar op verwonding door vallende draadspoel / korfspoel.
Ervoor zorgen dat de draadspoel of korfspoel met de korfspoel-adapter goed aan de draadspoelingang vast zit.
Bij verkeerd om bevestigde borgring: risico op lichamelijk letsel en materiële schade door vallende draadspoel / korfspoel.
De borgring altijd volgens de afbeelding links bevestigen.
Bij het werken met korfspoelen alleen de bij het apparaat geleverde korfspoeladapter gebruiken!
Gevaar door omvallende gasflessen.
Dit kan ernstig letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.
Gasflessen stabiel op een vlakke en vaste ondergrond plaatsen.
Gasflessen tegen omvallen beveiligen
De veiligheidsvoorschriften van de gasflesfabrikant opvolgen.
Poolomkeerder aansluiten
Een verkeerd aangesloten poolomkeerder kan slechte laseigenschappen veroorzaken.
De poolomkeerder overeenkomstig de gebruikte draadelektrode aansluiten.
Op de verpakking van de draadelektroden kunt u aflezen of de draadelektroden op (+) of op (-) moeten worden gelast.
Aardeverbinding maken
Massakabel op de telkens vrije stroombus aansluiten
Risico op lichamelijk letsel door veerwerking van de opgerolde draadelektrode.
Bij het inschuiven van de draadelektrode in de 4-rollenaandrijving het uiteinde van de draadelektrode goed vasthouden om lichamelijk letsel door de terugspringende draadelektrode te vermijden.
Risico op beschadiging van de lastoorts door scherpkantig uiteinde van de draadelektrode.
Voor het inschuiven van de draadelektrode het uiteinde goed afbramen.
Risico op lichamelijk letsel door naar buiten komende elektrode.
Bij het indrukken van de toets Draadinvoer of de brandertoets de lasbrander weghouden van gezicht en lichaam, en een geschikte veiligheidsbril gebruiken.
BELANGRIJK! Om de draadinvoer te vergemakkelijken, reageert de toets Draadinvoer bij het indrukken op de hieronder beschreven wijze.
Als de toets Draadinvoer binnen één seconde wordt losgelaten en opnieuw wordt ingedrukt, begint dit proces opnieuw. Op deze manier kan indien nodig permanent worden gepositioneerd met een lagere draadsnelheid van 1 m/min of 39.37 ipm.
In plaats van de toets Draadinvoer / Gascontrole kan op soortgelijke wijze met de brandertoets worden gewerkt. Voor het invoeren van de draad met behulp van de brandertoets als volgt te werk gaan:
Risico op lichamelijk letsel en materiële schade door elektrische schok en vrijkomende draadelektrode.
Bij het indrukken van de brandertoets:
De lastoorts van gezicht en lichaam weghouden
Een geschikte veiligheidsbril gebruiken
De lastoorts niet op personen richten
Erop letten dat de draadelektrode geen elektrisch geleidende of geaarde delen raakt (zoals behuizingen enz.)
BELANGRIJK! Wordt in plaats van de toets Draadinvoer / Gascontrole de brandertoets ingedrukt, dan loopt de lasdraad gedurende de eerste 3 seconden met de lasprogramma-afhankelijke kruipsnelheid. Na deze 3 seconden wordt de draadaanvoer kort onderbroken.
Het lassysteem herkent dat er geen lasprocedure moet worden ingeleid, maar dat de draad moet worden ingevoerd. Tegelijkertijd sluit de magneetklep van het beschermgas en wordt de lasspanning op de draadelektrode uitgeschakeld.
Wordt de brandertoets ingedrukt gehouden, dan start de draadaanvoer, nu zonder beschermgas, direct opnieuw. Het verdere verloop geschiedt zoals hierboven is beschreven.
De contactdruk zo instellen dat de draadelektrode niet wordt vervormd, maar een goed draadtransport is gewaarborgd.
Richtwaarden voor de U-groef-rollen:
Staal: 4 - 5
CrNi: 4 - 5
Massieve draadelektrode: 2 - 3
Na het loslaten van de brandertoets mag de draadspoel niet nalopen.
Is dit wel het geval, dan moet u de rem bijstellen.
Gevaar door incorrecte montage.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Rem niet uit elkaar halen.
Onderhouds- en servicewerkzaamheden aan de rem alleen laten uitvoeren door geschoold vakpersoneel.
De rem is alleen compleet verkrijgbaar.
De afbeelding van de rem dient slechts ter informatie!
'Begrenzing tegen de vermogenslimiet' is een veiligheidsfunctie voor het MIG/MAG-lassen. Deze functie maakt werking van de stroombron tegen de vermogenslimiet mogelijk terwijl de procesveiligheid toch gehandhaafd blijft.
Een doorslaggevende parameter voor de lasvermogenslimiet is de draadsnelheid. Is deze te hoog, dan wordt de lichtboog steeds korter en dreigt deze uit te gaan. Om het uitgaan van de lichtboog te voorkomen, wordt het lasvermogen verlaagd.
In de geselecteerde modus 'MIG/MAG standaard synergisch lassen' knippert het symbool voor de parameter 'Draadsnelheid' zodra de veiligheidsfunctie wordt geactiveerd. Het knipperen duurt tot de volgende lasstart of tot de volgende parameterwijziging.
Wordt bijvoorbeeld de parameter 'Draadsnelheid' geselecteerd, dan vindt weergave van de overeenkomstig gereduceerde waarde voor de draadsnelheid plaats.
'Begrenzing tegen de vermogenslimiet' is een veiligheidsfunctie voor het MIG/MAG-lassen. Deze functie maakt werking van de stroombron tegen de vermogenslimiet mogelijk terwijl de procesveiligheid toch gehandhaafd blijft.
Een doorslaggevende parameter voor de lasvermogenslimiet is de draadsnelheid. Is deze te hoog, dan wordt de lichtboog steeds korter en dreigt deze uit te gaan. Om het uitgaan van de lichtboog te voorkomen, wordt het lasvermogen verlaagd.
In de geselecteerde modus 'MIG/MAG standaard synergisch lassen' knippert het symbool voor de parameter 'Draadsnelheid' zodra de veiligheidsfunctie wordt geactiveerd. Het knipperen duurt tot de volgende lasstart of tot de volgende parameterwijziging.
Wordt bijvoorbeeld de parameter 'Draadsnelheid' geselecteerd, dan vindt weergave van de overeenkomstig gereduceerde waarde voor de draadsnelheid plaats.
Onjuiste bediening kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Gebruik de beschreven functies pas nadat deze gebruiksaanwijzing volledig is gelezen en begrepen.
Gebruik de beschreven functies pas nadat alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten (in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften) volledig zijn gelezen en begrepen.
De gegevens over de betekenis, instelling, instelbereiken en eenheden van de beschikbare parameters (bijvoorbeeld GPr) vindt u in het hoofdstuk 'Setup-instellingen'.
Onjuiste bediening kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Gebruik de beschreven functies pas nadat deze gebruiksaanwijzing volledig is gelezen en begrepen.
Gebruik de beschreven functies pas nadat alle gebruiksaanwijzingen van de systeemcomponenten (in het bijzonder de veiligheidsvoorschriften) volledig zijn gelezen en begrepen.
De gegevens over de betekenis, instelling, instelbereiken en eenheden van de beschikbare parameters (bijvoorbeeld GPr) vindt u in het hoofdstuk 'Setup-instellingen'.
| GPr | Voorstroomtijd gas |
| I-S | Startstroom kan afhankelijk van de toepassing worden verhoogd of verlaagd |
| SL | Slope continue daling van de startstroom naar de lasstroom en van de lasstroom naar de eindkraterstroom |
| I | Lasstroomfase gelijkmatige temperatuurinbreng in het door voorlopende warmte verhitte materiaal |
| I-E | Eindstroom voor het opvullen van de eindkrater |
| GPo | Nastroomtijd gas |
| SPt | Puntlastijd / interval-lastijd |
| SPb | Interval-pauzetijd |
De bedrijfsmodus '4-stapsproces' is voor langere lasnaden geschikt.
De bedrijfsmodus "Speciaal 4-taktbedrijf" biedt in aanvulling op de voordelen van het 4-taktbedrijf instelmogelijkheden voor start- en eindstroom.
De bedrijfsmodus "Puntlassen" is met name geschikt voor lasverbindingen op overlappende platen.
U begint door de brandertoets in te drukken en los te laten - voorstroomtijd gas Gpr - lasstroomfase gedurende puntlastijd Spt - nastroomtijd gas GPo.
Wanneer voor het einde van de puntlastijd (< SPt) de brandertoets opnieuw wordt ingedrukt, wordt het proces direct afgebroken.
De bedrijfsmodus "2-takt-intervallassen" is geschikt voor korte lasnaden op dunne platen en voorkomt dat het grondmateriaal doorbrandt.
De bedrijfsmodus "4-takt-intervallassen" is geschikt voor langere lasnaden op dunne platen en voorkomt dat het grondmateriaal doorbrandt.
Parameters die op een bedieningspaneel van een systeemonderdeel worden ingesteld (afstandsbediening TR 2000 of TR 3000) kunnen onder voorwaarden niet op het bedieningspaneel van de stroombron worden gewijzigd.
In beginsel blijven alle met behulp van het instelwiel ingestelde parameterwaarden tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt. Voor het weergeven van de werkelijke lasstroom tijdens het lasproces de parameter Lasstroom kiezen.
Risico op lichamelijk letsel en materiële schade door elektrische schok en vrijkomende draadelektrode.
Bij het indrukken van de brandertoets:
de lasbrander van gezicht en lichaam weghouden
een geschikte veiligheidsbril gebruiken
de lasbrander niet op personen richten
erop letten dat de draadelektrode geen elektrisch geleidende of geaarde delen raakt (zoals behuizingen enz.)
Parameters die op een bedieningspaneel van een systeemonderdeel worden ingesteld (afstandsbediening TR 2000 of TR 3000) kunnen onder voorwaarden niet op het bedieningspaneel van de stroombron worden gewijzigd.
In beginsel blijven alle met behulp van het instelwiel ingestelde parameterwaarden tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt. Voor het weergeven van de werkelijke lasstroom tijdens het lasproces de parameter Lasstroom kiezen.
Risico op lichamelijk letsel en materiële schade door elektrische schok en vrijkomende draadelektrode.
Bij het indrukken van de brandertoets:
de lasbrander van gezicht en lichaam weghouden
een geschikte veiligheidsbril gebruiken
de lasbrander niet op personen richten
erop letten dat de draadelektrode geen elektrisch geleidende of geaarde delen raakt (zoals behuizingen enz.)
Om een optimaal lasresultaat te bereiken kunnen in veel gevallen de parameters lengtecorrectie lichtboog en dynamiek gecorrigeerd worden.
De procedure MIG/MAG standaard-handmatig lassen is een MIG/MAG lasprocedure zonder Synergic-functie.
De verandering van een parameter heeft geen automatische aanpassing van de overige parameters tot gevolg. Alle veranderlijke parameters dienen overeenkomstig de eisen van het lasproces apart te worden ingesteld.
De procedure MIG/MAG standaard-handmatig lassen is een MIG/MAG lasprocedure zonder Synergic-functie.
De verandering van een parameter heeft geen automatische aanpassing van de overige parameters tot gevolg. Alle veranderlijke parameters dienen overeenkomstig de eisen van het lasproces apart te worden ingesteld.
Bij MIG/MAG handmatig lassen staan de volgende parameters tot uw beschikking:
Draadsnelheid | |
Lasspanning | |
Dynamiek | |
Lasstroom |
Parameters die op een bedieningspaneel van een systeemonderdeel worden ingesteld (afstandsbediening TR 2000 of TR 3000) kunnen onder voorwaarden niet op het bedieningspaneel van de stroombron worden gewijzigd.
De waarden van de parameters verschijnen in de erboven geplaatste digitale displays
In beginsel blijven alle met behulp van het instelwiel ingestelde parameterwaarden tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt. Voor het weergeven van de werkelijke lasstroom tijdens het lasproces de parameter Lasstroom kiezen.
Voor de indicatie van de werkelijke lasstroom tijdens de laswerkzaamheid:
Risico op lichamelijk letsel en materiële schade door elektrische schok en vrijkomende draadelektrode.
Bij het indrukken van de brandertoets:
de lasbrander van gezicht en lichaam weghouden
een geschikte veiligheidsbril gebruiken
de lasbrander niet op personen richten
erop letten dat de draadelektrode geen elektrisch geleidende of geaarde delen raakt (zoals behuizingen enz.)
Om een optimaal lasresultaat te bereiken kan in veel gevallen de parameter Dynamiek worden ingesteld.
De bedrijfsmodi Puntlassen en Interval-lassen zijn MIG/MAG-lasprocessen.
Puntlassen wordt toegepast op unilateraal toegankelijke lasverbindingen op overlappende platen.
Intervallassen wordt toegepast op dunne platen.
Aangezien de draadelektrode niet continu wordt toegevoerd, kan het smeltbad afkoelen tijdens de intervalpauzetijden. Een lokale oververhitting en als resultaat een doorbranden van het basismateriaal kan grotendeels worden vermeden.
De bedrijfsmodi Puntlassen en Interval-lassen zijn MIG/MAG-lasprocessen.
Puntlassen wordt toegepast op unilateraal toegankelijke lasverbindingen op overlappende platen.
Intervallassen wordt toegepast op dunne platen.
Aangezien de draadelektrode niet continu wordt toegevoerd, kan het smeltbad afkoelen tijdens de intervalpauzetijden. Een lokale oververhitting en als resultaat een doorbranden van het basismateriaal kan grotendeels worden vermeden.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
Gevaar door elektrische stroom.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.
Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.
Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
Gevaar door elektrische stroom.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.
Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.
Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
Gevaar door elektrische stroom.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.
Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.
Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.
Op de verpakking van de staafelektroden kunt u aflezen of de staafelektroden op (+) of op (-) moeten worden gelast.
Gevaar door ongewenst startend lasproces.
Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.
Zodra de stroombron is ingeschakeld controleren of de staafelektrode niet ongewenst/ongecontroleerd elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen, ....).
1Met de toets Procedure de lasprocedure Elektrodelassen kiezen: | ||
| De lasspanning wordt met een vertraging van 3 s op de lasbus geschakeld. | |
| OPMERKING! Parameters die op een bedieningspaneel van een systeemonderdeel worden ingesteld (TR 2000, TR 3000), kunnen onder voorwaarden niet op het bedieningspaneel van de stroombron worden gewijzigd. | |
2Met de toets Parameterkeuze de parameter Stroomsterkte kiezen. | ||
3Met het stelwiel de gewenste stroomsterkte instellen. | ||
| De waarde van de stroomsterkte wordt op het linker digitale scherm getoond. | |
| In beginsel blijven alle met behulp van het instelwiel ingestelde parameterwaarden tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt. | |
4Met lassen beginnen | ||
| Voor de indicatie van de werkelijke lasstroom tijdens de laswerkzaamheid: | |
|
| |
|
| |
1Met de toets Procedure de lasprocedure Elektrodelassen kiezen: | ||
| De lasspanning wordt met een vertraging van 3 s op de lasbus geschakeld. | |
| OPMERKING! Parameters die op een bedieningspaneel van een systeemonderdeel worden ingesteld (TR 2000, TR 3000), kunnen onder voorwaarden niet op het bedieningspaneel van de stroombron worden gewijzigd. | |
2Met de toets Parameterkeuze de parameter Stroomsterkte kiezen. | ||
3Met het stelwiel de gewenste stroomsterkte instellen. | ||
| De waarde van de stroomsterkte wordt op het linker digitale scherm getoond. | |
| In beginsel blijven alle met behulp van het instelwiel ingestelde parameterwaarden tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt. | |
4Met lassen beginnen | ||
| Voor de indicatie van de werkelijke lasstroom tijdens de laswerkzaamheid: | |
|
| |
|
| |
Dynamiek:
om de kortsluitdynamiek te beïnvloeden op het moment van de druppelovergang
| - | = harde en stabiele lichtboog |
| 0 | = neutrale lichtboog |
| + | = zwakke en spatarme lichtboog |
Dynamiek:
om de kortsluitdynamiek te beïnvloeden op het moment van de druppelovergang
| - | = harde en stabiele lichtboog |
| 0 | = neutrale lichtboog |
| + | = zwakke en spatarme lichtboog |
Deze functie wordt in de fabriek geactiveerd.
VoordelenLegenda
| Hti | Hot-current time = Hotstroom-tijd, 0 - 2 s, fabrieksinstelling 0,5 s |
| HCU | HotStart-current = HotStart-stroom, 100 - 200 %, fabrieksinstelling 150 % |
| IH | Hoofdstroom = ingestelde lasstroom |
De parameters Hti en HCU kunnen worden ingesteld in het setup-menu. Zie voor parameterbeschrijving paragraaf Parameters voor elektrodelassen vanaf pagina (→).
Werkingswijze
Tijdens de ingestelde Hotstroom-tijd (Hti) wordt de lasstroom naar een bepaalde waarde verhoogd. Deze waarde (HCU) is hoger dan de ingestelde lasstroom (IH).
Deze functie wordt in de fabriek geactiveerd.
Bij een korter wordende lichtboog kan de lasspanning zover dalen dat de staafelektrode ertoe neigt vast te kleven. Bovendien kan de staafelektrode uitgloeien.
Uitgloeien wordt verhinderd als de functie Anti-stick is geactiveerd. Als de staafelektrode begint vast te kleven, schakelt de stroombron de lasstroom meteen uit. Nadat de staafelektrode van het werkstuk is gescheiden, kan het lassen zonder problemen worden voortgezet.
Zie voor parameterbeschrijving paragraaf Anti-Stick vanaf pagina (→).
Gevaar door ongewenst startend lasproces.
Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.
Zodra de stroombron is ingeschakeld controleren of de wolfraamelektrode niet ongewenst/ongecontroleerd elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen, ....).
Gevaar door ongewenst startend lasproces.
Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.
Zodra de stroombron is ingeschakeld controleren of de wolfraamelektrode niet ongewenst/ongecontroleerd elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen, ....).
Gevaar door ongewenst startend lasproces.
Dit kan letsel of schade aan eigendommen veroorzaken.
Zodra de stroombron is ingeschakeld controleren of de wolfraamelektrode niet ongewenst/ongecontroleerd elektrisch geleidende of geaarde delen aanraakt (bijvoorbeeld behuizingen, ....).
Bij gebruik van een lasbrander met brandertoets en TMC-stekker (met fabrieksinstelling 2-taktbedrijf):
Bij gebruik van een lasbrander met brandertoets en TMC-stekker (met fabrieksinstelling 2-taktbedrijf):
Pulslassen is lassen met pulserende lasstroom. Het wordt toegepast bij het positielassen van stalen buizen en bij het lassen van dunne platen.
Bij deze toepassingen is de lasstroom die aan het begin van het lassen is ingesteld, niet altijd tot nut voor de volledige lasprocedure:Pulslassen is lassen met pulserende lasstroom. Het wordt toegepast bij het positielassen van stalen buizen en bij het lassen van dunne platen.
Bij deze toepassingen is de lasstroom die aan het begin van het lassen is ingesteld, niet altijd tot nut voor de volledige lasprocedure:De stroombron regelt de parameters Duty cycle dcY en grondstroom I-G overeenkomstig de ingestelde pulsstroom (lasstroom) en de ingestelde pulsfrequentie.
Instelbare parameters:
| I-S | Startstroom |
| I-E | Eindstroom |
| F-P | Pulsfrequentie (1/F-P = tijdsperiode tussen twee impulsen) |
| I-P | Pulsstroom (de ingestelde lasstroom) |
Niet-instelbare parameters:
| tup | UpSlope |
| tdown | Downslope |
| dcY | Duty cycle |
| I-G | Grondstroom |
Zie voor parameterbeschrijving paragraaf Parameter voor TIG-lassen vanaf pagina (→).
De geheugentoetsen maken het opslaan van 5 EasyJobs mogelijk. Bij de EasyJobs worden de op het bedieningspaneel ingestelde parameters opgeslagen.
Bij de EasyJobs worden er geen setup-parameters mee opgeslagen.
De geheugentoetsen maken het opslaan van 5 EasyJobs mogelijk. Bij de EasyJobs worden de op het bedieningspaneel ingestelde parameters opgeslagen.
Bij de EasyJobs worden er geen setup-parameters mee opgeslagen.
De geheugentoetsen maken het opslaan van 5 EasyJobs mogelijk. Bij de EasyJobs worden de op het bedieningspaneel ingestelde parameters opgeslagen.
Bij de EasyJobs worden er geen setup-parameters mee opgeslagen.
Voor het opvragen van de opgeslagen instellingen met lasbrander Up/Down (Omhoog/Omlaag) moet een van de geheugentoetsen op het bedieningspaneel worden ingedrukt.
1Een van de geheugentoetsen op het bedieningspaneel indrukken, bijv.:
| ||
Nu kunnen met de toetsen op de lasbrander Up/Down (Omhoog/Omlaag) geheugentoetsen worden geselecteerd. Ongebruikte geheugentoetsen worden hierbij overgeslagen.
Naast het oplichten van het geheugentoetsnummer, wordt het nummer direct op de lasbrander Up/Down (Omhoog/Omlaag) weergegeven:
Nummer 1 |
| |
Nummer 2 |
| |
Nummer 3 |
| |
Nummer 4 |
| |
Nummer 5 |
|
Als op de stroombron de optie Easy Documentation beschikbaar is, kunnen de belangrijkste lasgegevens van elke lasbeurt worden meegedocumenteerd en als CSV-bestand op een USB-stick worden opgeslagen.
Samen met de lasgegevens wordt een Fronius-handtekening opgeslagen waarmee de echtheid van de gegevens kan worden gecontroleerd en gewaarborgd.
Easy Documentation kan worden geactiveerd/gedeactiveerd door de meegeleverde Fronius-USB-stick met FAT32-formattering aan de achterzijde van de stroombron te plaatsen/verwijderen.
BELANGRIJK! Om de lasgegevens te kunnen documenteren, moeten de datum en tijd juist zijn ingesteld.
Als op de stroombron de optie Easy Documentation beschikbaar is, kunnen de belangrijkste lasgegevens van elke lasbeurt worden meegedocumenteerd en als CSV-bestand op een USB-stick worden opgeslagen.
Samen met de lasgegevens wordt een Fronius-handtekening opgeslagen waarmee de echtheid van de gegevens kan worden gecontroleerd en gewaarborgd.
Easy Documentation kan worden geactiveerd/gedeactiveerd door de meegeleverde Fronius-USB-stick met FAT32-formattering aan de achterzijde van de stroombron te plaatsen/verwijderen.
BELANGRIJK! Om de lasgegevens te kunnen documenteren, moeten de datum en tijd juist zijn ingesteld.
Als op de stroombron de optie Easy Documentation beschikbaar is, kunnen de belangrijkste lasgegevens van elke lasbeurt worden meegedocumenteerd en als CSV-bestand op een USB-stick worden opgeslagen.
Samen met de lasgegevens wordt een Fronius-handtekening opgeslagen waarmee de echtheid van de gegevens kan worden gecontroleerd en gewaarborgd.
Easy Documentation kan worden geactiveerd/gedeactiveerd door de meegeleverde Fronius-USB-stick met FAT32-formattering aan de achterzijde van de stroombron te plaatsen/verwijderen.
BELANGRIJK! Om de lasgegevens te kunnen documenteren, moeten de datum en tijd juist zijn ingesteld.
De volgende gegevens worden gedocumenteerd:
Apparaattype
Bestandsnaam
Artikelnummer
Serienummer
Firmwareversie van stroombron
Firmware van Print DOCMAG (Easy Documentation)
Documentversie
https://www.easydocu.weldcube.com (onder deze link kunt u een PDF-rapport van geselecteerde lasgegevens genereren)
Nr. | Teller |
Date | Datum yyyy-mm-dd |
Time | Tijd hh:mm:ss |
Duration | Duur in [s] |
I | Lasstroom * in [A] |
U | Lasspanning * in [V] |
vd | Draadsnelheid * in [m/min] |
wfs | Draadsnelheid * in [ipm] |
IP | Vermogen * uit huidige waarden in [W] |
IE | Energie uit huidige waarden in [kJ] |
I-Mot | Motorstroom * in [A] |
Synid | Karakteristiekennummer |
Job | EasyJob-nummer |
Process | Lasprocedure |
Mode | Bedrijfsmodus |
Status | PASS: normaal lassen |
Interval | Lasnaadnummer bij bedrijfsmodus "Interval" |
Signature | Handtekening per lasnaadnummer |
|
|
* | steeds vanaf de hoofdprocesfase; |
De lasgegevens worden steeds als gemiddelden in de hoofdprocesfase en per lasbeurt gedocumenteerd.
Onder de link hiernaast ...
https://easydocu.weldcube.com |
Het instellen van de datum en tijd gebeurt in het 2e niveau van het Service-menu.
De eerste parameter in het Service-menu wordt weergegeven.
Met het instelwiel links de Setup-parameter '2nd' selecteren
De eerste parameter in het 2e niveau van het Service-menu wordt weergegeven.
Met het instelwiel links de Setup-parameter 'yEA' (= jaar) selecteren
Datum en tijd instellen:
Instelbereiken:
| yEA | jaar (20yy; 0 - 99) |
| Mon | maand (mm; 1 -1 12) |
| dAY | dag (dd; 1 - 31) |
| Hou | uur (hh; 0 - 24) |
| Min | minuut (mm; 0 - 59) |
Als de stroombron middels de Setup-parameter FAC naar de fabrieksinstellingen wordt teruggezet, dan blijven de datum en tijd opgeslagen.
Het instellen van de datum en tijd gebeurt in het 2e niveau van het Service-menu.
De eerste parameter in het Service-menu wordt weergegeven.
Met het instelwiel links de Setup-parameter '2nd' selecteren
De eerste parameter in het 2e niveau van het Service-menu wordt weergegeven.
Met het instelwiel links de Setup-parameter 'yEA' (= jaar) selecteren
Datum en tijd instellen:
Instelbereiken:
| yEA | jaar (20yy; 0 - 99) |
| Mon | maand (mm; 1 -1 12) |
| dAY | dag (dd; 1 - 31) |
| Hou | uur (hh; 0 - 24) |
| Min | minuut (mm; 0 - 59) |
Als de stroombron middels de Setup-parameter FAC naar de fabrieksinstellingen wordt teruggezet, dan blijven de datum en tijd opgeslagen.
Als de USB-stick voortijdig wordt verwijderd, bestaat het gevaar dat gegevens verloren gaan of worden beschadigd.
De USB-stick mag pas ca. 10 seconden na het einde van de laatste lasbeurt worden verwijderd om er zeker van te zijn dat de gegevens juist zijn overgedragen.
Op het display van de stroombron wordt het volgende weergegeven:
Easy Documentation is gedeactiveerd.
Het Setup-menu geeft eenvoudig toegang tot de expertise in de stroombron en tot extra functies. In het Setup-menu is het mogelijk om de parameters eenvoudig aan te passen bij de verschillende taken.
Het Setup-menu geeft eenvoudig toegang tot de expertise in de stroombron en tot extra functies. In het Setup-menu is het mogelijk om de parameters eenvoudig aan te passen bij de verschillende taken.
Het Setup-menu geeft eenvoudig toegang tot de expertise in de stroombron en tot extra functies. In het Setup-menu is het mogelijk om de parameters eenvoudig aan te passen bij de verschillende taken.
De invoer in het Setup-menu wordt beschreven met behulp van de lasprocedure MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen.
Bij de andere lasprocedures werkt de invoer hetzelfde.
Het Setup-menu openen
Met behulp van de toets Procedure de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen" kiezen
Het bedieningspaneel bevindt zich nu in het Setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen Setup-parameter wordt getoond.
Parameters wijzigen
Met het stelwiel links de gewenste Setup-parameter selecteren
Met het stelwiel rechts de waarde van de Setup-parameter wijzigen
Het Setup-menu verlaten
| GPr | Voorstroomtijd gas Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 9,9 Fabrieksinstelling: 0,1 |
| GPo | Nastroomtijd gas Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 9,9 Fabrieksinstelling: 0,5 |
| SL | Slope Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 9,9 Fabrieksinstelling: 1 |
| I-S | Startstroom Eenheid: % van de lasstroom Instelbereik: 0 - 200 Fabrieksinstelling: 100 |
| I-E | Eindstroom Eenheid: % van de lasstroom Instelbereik: 0 - 200 Fabrieksinstelling: 50 |
| t-S | Startstroomduur Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 9,9 Fabrieksinstelling: 0 |
| t-E | Eindstroomduur Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 9,9 Fabrieksinstelling: 0 |
| Fdi | Draadinvoersnelheid Eenheid: m/min (ipm) Instelbereik: 1 - 18,5 (39.37 - 728.35) Fabrieksinstelling: 10 (393,7) |
| Ito | Draadlengte tot in werking treden veiligheidsuitschakeling Eenheid: mm (inch) Instelbereik: OFF (UIT), 5 - 100 (OFF (UIT), 0.2 - 3.94) Fabrieksinstelling: OFF (UIT) De functie Ignition Time-Out (Ito) is een veiligheidsfunctie. Als de stroombron na de ingestelde draadlengte geen ontsteking vaststelt, dan wordt de draadaanvoer gestopt. |
| SPt | Puntlastijd Eenheid: seconden Instelbereik: 0,3 - 5 Fabrieksinstelling: 1 |
| SPb | Puntenpauzetijd Eenheid: seconden Instelbereik: OFF (UIT), 0,3 - 10 (in stappen van 0,1 seconde) Fabrieksinstelling: OFF (UIT) |
| Int | Interval Eenheid: - Instelbereik: 2T (2-takt), 4T (4-takt) Fabrieksinstelling: 2T (2-takt) |
| FAC | Stroombron resetten Een van de toetsen voor parameterselectie 2 seconden ingedrukt houden om de leveringsstand te herstellen Bij het resetten van de stroombron worden de meeste instellingen gewist. Bewaard blijven:- Als in het digitale venster "PrG" wordt weergegeven, is de stroombron gereset.
|
| 2nd | Tweede niveau van het Setup-menu (zie onderdeel "Setup-menu - niveau 2") |
| GPr | Voorstroomtijd gas Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 9,9 Fabrieksinstelling: 0,1 |
| GPo | Nastroomtijd gas Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 9,9 Fabrieksinstelling: 0,5 |
| Fdi | Draadinvoersnelheid Eenheid: m/min (ipm) Instelbereik: 1 - 18,5 (39.37 - 728.35) Fabrieksinstelling: 10 (393,7) |
| IGc | IGc Ontsteking Eenheid: Ampère Instelbereik: 100 - 390 Fabrieksinstelling: 300 |
| Ito | Draadlengte tot inwerkingtreding veiligheidsuitschakeling Eenheid: mm (inch) Instelbereik: OFF (UIT), 5 - 100 (OFF (UIT), 0,2 - 3,94) Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’) De functie Ignition Time-Out (Ito) is een veiligheidsfunctie. Als de stroombron na de ingestelde draadlengte geen ontsteking vaststelt, wordt de draadaanvoer gestopt. |
| SPt | Puntentijd Eenheid: seconden Instelbereik: OFF (UIT) 0,3 - 5 Fabrieksinstelling: 1 |
| SPb | Puntenpauzetijd Eenheid: seconden Instelbereik: OFF (UIT), 0,3 - 10 (in stappen van 0,1 seconde) Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’) |
| Int | Interval Eenheid: - Instelbereik: 2T (2-staps), 4T (4-staps) Fabrieksinstelling: 2T (2-staps) |
| FAC | Stroombron resetten Een van de toetsen voor parameterselectie 2 seconden ingedrukt houden om de leveringsstand te herstellen Bij het resetten van de stroombron worden de meeste instellingen gewist. Bewaard blijven:- Als in het digitale venster 'PrG' wordt weergegeven, is de stroombron gereset
|
| 2nd | tweede niveau van het setup-menu (zie paragraaf 'Setup-menu - niveau 2') |
| HCU | HotStart-stroom Eenheid: % Instelbereik: 100 - 200 Fabrieksinstelling: 150 |
| Hti | Hotstrom-tijd Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 2,0 Fabrieksinstelling: 0,5 |
| Ast | Anti-Stick Eenheid: - Instelbereik: ON, OFF (AAN, UIT) Fabrieksinstelling: On (Aan) |
| FAC | Stroombron resetten Een van de toetsen voor parameterselectie 2 seconden ingedrukt houden om de leveringsstand te herstellen Bij het resetten van de stroombron worden de meeste instellingen gewist. Bewaard blijven:- Als in het digitale venster 'PrG' wordt weergegeven, is de stroombron gereset.
|
| 2nd | tweede niveau van het setup-menu (zie paragraaf 'Setup-menu - niveau 2') |
| F-P | Pulsfrequentie Eenheid: hertz Instelbereik: OFF (UIT); 1 - 990 (tot 10 Hz: in stappen van 0,1 Hz) (tot 100 Hz: in stappen van 1 Hz) (boven de 100 Hz: in stappen van 10 Hz) Fabrieksinstelling = OFF (UIT) |
| tUP | Up-slope Eenheid: seconden Instelbereik: 0,01 - 9,9 Fabrieksinstelling: 0,5 |
| tdo | Down-slope Eenheid: seconden Instelbereik: 0,01 - 9,9 Fabrieksinstelling: 1 |
| I-S | Startstroom Eenheid: % van hoofdstroom Instelbereik: 1 - 200 Fabrieksinstelling: 35 |
| I-2 | Reductiestroom Eenheid: % van hoofdstroom Instelbereik: 1 - 100 Fabrieksinstelling: 50 |
| I-E | Eindstroom Eenheid: % van hoofdstroom Instelbereik: 1 - 100 Fabrieksinstelling: 30 |
| GPo | Nastroomtijd gas Eenheid: seconden Instelbereik: 0 - 9,9 Fabrieksinstelling: 9,9 |
| tAC | Hechten Eenheid: seconden Instelbereik: OFF (UIT), 0,1 - 9,9 Fabrieksinstelling = OFF (UIT) |
| FAC | Stroombron resetten Een van de toetsen voor parameterselectie 2 seconden ingedrukt houden om de leveringsstand te herstellen Bij het resetten van de stroombron worden de meeste instellingen gewist. Bewaard blijven:- Als in het digitale venster "PrG" wordt weergegeven, is de stroombron gereset.
|
| 2nd | Tweede niveau van het Setup-menu (zie onderdeel "Setup-menu - niveau 2") |
In verband met het Setup-menu niveau 2 ontstaan de volgende beperkingen:
Het Setup-menu niveau 2 kan niet worden geselecteerd:
Zolang het Setup-menu niveau 2 is geselecteerd, zijn de volgende functies niet beschikbaar, ook in het geval van robotbedrijf:
In verband met het Setup-menu niveau 2 ontstaan de volgende beperkingen:
Het Setup-menu niveau 2 kan niet worden geselecteerd:
Zolang het Setup-menu niveau 2 is geselecteerd, zijn de volgende functies niet beschikbaar, ook in het geval van robotbedrijf:
Het Setup-menu niveau 2 openen:
Met behulp van de toets Procedure de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen" kiezen
Het bedieningspaneel bevindt zich nu in het Setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen Setup-parameter wordt getoond.
Met het stelwiel links de Setup-parameter "2nd" selecteren
Het bedieningspaneel bevindt zich nu in het tweede niveau van het Setup-menu van de procedure "MIG/MAG-standaard-synergisch-lassen"; de laatst gekozen Setup-parameter wordt getoond.
Parameters wijzigen
Met het stelwiel links de gewenste Setup-parameter selecteren
Met het stelwiel rechts de waarde van de Setup-parameter wijzigen
Het Setup-menu verlaten
Een parameter wordt weergegeven in het Setup-menu van het eerste niveau.
| C-C | Cooling unit Control - besturing koelapparaat (alleen bij TST 3500c MP en bij aangesloten koelapparaat) Eenheid: - Instelbereik: Aut, On, OFF Fabrieksinstelling: Aut Aut: Het koelapparaat schakelt na een laspauze van 2 minuten uit. BELANGRIJK! Zijn de opties Bewaking koelmiddeltemperatuur en Bewaking doorstroming in het koelapparaat ingebouwd, dan schakelt het koelapparaat uit zodra de teruglooptemperatuur lager is dan 50 °C, maar op zijn vroegst na 2 minuten laspauze. On (Aan): Het koelapparaat blijft permanent ingeschakeld OFF ('UIT'): Het koelapparaat blijft permanent uitgeschakeld BELANGRIJK! Bij gebruik van de parameter FAC wordt de parameter C-C niet teruggezet naar de fabrieksinstelling. Als de lasprocedure Elektrodelassen is geselecteerd, blijft het koelapparaat altijd uitgeschakeld, ook in de stand 'On' (Aan). |
| C-t | Cooling Time (alleen bij TST 3500c MP en bij aangesloten koelapparaat) Tijd tussen het aanspreken van de doorstroombewaking en uitgave van de servicecode 'no | H2O'. Als in het koelsysteem bijvoorbeeld luchtbellen voorkomen, schakelt het koelapparaat pas na de ingestelde tijd uit. Eenheid: s Instelbereik: 5 - 25 Fabrieksinstelling: 10 BELANGRIJK! Voor testdoeleinden loopt het koelapparaat na elke inschakeling van de stroombron 180 seconden lang. |
| SEt | Landeninstelling (Standaard / US) ... Std / US (VS) Eenheid: - Instelbereik: Std, US (VS) Bij selectie van Std worden de lasprogramma's Euro volgens de lasprogrammatabel gebruikt. Bij selectie van US worden de lasprogramma's US volgens de lasprogrammatabel gebruikt. Fabrieksinstelling: Standaardversie: Std (maataanduiding: cm/mm) US-versie: US (maataanduiding: inch) |
| FUS | Netbeveiliging Het maximaal mogelijke lasvermogen wordt beperkt door de hoogte van de ingestelde netbeveiliging. Eenheid: A De beschikbare netbeveiligingswaarden zijn afhankelijk van de instelling van de parameter SEt: Parameter SEt op Std: OFF / 10 / 13 / 16 Parameter SEt op US: OFF ('UIT') / 15 / 20 (alleen bij 120 V netspanning) Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’) |
| LED | Tijdvertraging voor de uitschakeling van de binnenverlichting van de draadspoelen De tijdvertraging begint met de laatste bediening van de toetsen. Eenheid: Minuten Instelbereik: ON / OFF / 0 - 100 Fabrieksinstelling: 10 alleen bij de TSt 2700c MP |
| r | Laskringweerstand (in mOhm) zie onderdeel 'Laskring-weerstand r bepalen' |
| L | Laskring-inductiviteit (in Microhenry) zie onderdeel 'Laskring-inductiviteit L weergeven' |
| EnE | Real Energy Input Eenheid: kJ Instelbereik: ON / OFF Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’) Aangezien niet het gehele waardebereik (1 kJ - 99999 kJ) op het display van drie cijfers kan worden aangegeven, is de volgende weergavevariant gekozen: Waarde in kJ: 1 tot 999 / weergave op display: 1 tot 999 Waarde in kJ: 1000 tot 9999 / weergave op display: 1,00 tot 9,99 (gedeeld door duizend tot twee cijfers achter de komma, bijvoorbeeld 5270 kJ -> 5,27) Waarde in kJ: 10000 tot 99999 / weergave op display: 10,0 tot 99,9 (gedeeld door duizend tot één cijfer achter de komma, bijvoorbeeld 23580 kJ -> 23,6) |
| ALC | Weergave lengtecorrectie lichtboog (instelling van de weergave van de Lengtecorrectie lichtboog) Instelbereik: ON / OFF Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’) Indien ingesteld op ON (AAN), wanneer de parameter Lasvermogen is geselecteerd en op het bedieningspaneel ingesteld, geeft de weergave links gedurende 3 seconden de waarde weer voor de Lengtecorrectie lichtboog; geeft de weergave rechts gelijktijdig de waarde weer voor het lasvermogen. |
| Ejt | EasyJob Trigger voor het activeren / deactiveren van het omschakelen van EasyJobs met de toortstoets Eenheid: - Instelbereik: ON, OFF (AAN, UIT) Fabrieksinstelling: OFF (UIT) Functie met MIG/MAG-toortstoets Toortstoets kort (<0,5 s) indrukken Geen lasbedrijf:
In het lasbedrijf:
Functie met MIG/MAG-Up/Down-toets Als er een EasyJob is geselecteerd, worden de EasyJob en de lasstroom gewijzigd. Geen lasbedrijf:
In het lasbedrijf:
|
| C-C | Cooling unit Control - besturing koelapparaat (alleen bij TST 3500c MP en bij aangesloten koelapparaat) Eenheid: - Instelbereik: Aut, On, OFF Fabrieksinstelling: Aut Aut: Het koelapparaat schakelt na een laspauze van 2 minuten uit. BELANGRIJK! Zijn de opties Bewaking koelmiddeltemperatuur en Bewaking doorstroming in het koelapparaat ingebouwd, dan schakelt het koelapparaat uit zodra de teruglooptemperatuur lager is dan 50 °C, maar op zijn vroegst na 2 minuten laspauze. On (Aan): Het koelapparaat blijft permanent ingeschakeld OFF ('UIT'): Het koelapparaat blijft permanent uitgeschakeld BELANGRIJK! Bij gebruik van de parameter FAC wordt de parameter C-C niet teruggezet naar de fabrieksinstelling. Als de lasprocedure Elektrodelassen is geselecteerd, blijft het koelapparaat altijd uitgeschakeld, ook in de stand 'On' (Aan). |
| C-t | Cooling Time (alleen bij TST 3500c MP en bij aangesloten koelapparaat) Tijd tussen het aanspreken van de doorstroombewaking en uitgave van de servicecode 'no | H2O'. Als in het koelsysteem bijvoorbeeld luchtbellen voorkomen, schakelt het koelapparaat pas na de ingestelde tijd uit. Eenheid: s Instelbereik: 5 - 25 Fabrieksinstelling: 10 BELANGRIJK! Voor testdoeleinden loopt het koelapparaat na elke inschakeling van de stroombron 180 seconden lang. |
| SEt | Landeninstelling (Standaard / US) ... Std / US (VS) Eenheid: - Instelbereik: Std, US (VS) Bij selectie van Std worden de lasprogramma's Euro volgens de lasprogrammatabel gebruikt. Bij selectie van US worden de lasprogramma's US volgens de lasprogrammatabel gebruikt. Fabrieksinstelling: Standaardversie: Std (maataanduiding: cm/mm) US-versie: US (maataanduiding: inch) |
| FUS | Netbeveiliging Het maximaal mogelijke lasvermogen wordt beperkt door de hoogte van de ingestelde netbeveiliging. Eenheid: A De beschikbare netbeveiligingswaarden zijn afhankelijk van de instelling van de parameter SEt: Parameter SEt op Std: OFF / 10 / 13 / 16 Parameter SEt op US: OFF ('UIT') / 15 / 20 (alleen bij 120 V netspanning) Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’) |
| LED | Tijdvertraging voor de uitschakeling van de binnenverlichting van de draadspoelen De tijdvertraging begint met de laatste bediening van de toetsen. Eenheid: Minuten Instelbereik: ON / OFF / 0 - 100 Fabrieksinstelling: 10 alleen bij de TSt 2700c MP |
| r | Laskringweerstand (in mOhm) zie onderdeel 'Laskring-weerstand r bepalen' |
| L | Laskring-inductiviteit (in Microhenry) zie onderdeel 'Laskring-inductiviteit L weergeven' |
| EnE | Real Energy Input Eenheid: kJ Instelbereik: ON / OFF Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’) Aangezien niet het gehele waardebereik (1 kJ - 99999 kJ) op het display van drie cijfers kan worden aangegeven, is de volgende weergavevariant gekozen: Waarde in kJ: 1 tot 999 / weergave op display: 1 tot 999 Waarde in kJ: 1000 tot 9999 / weergave op display: 1,00 tot 9,99 (gedeeld door duizend tot twee cijfers achter de komma, bijvoorbeeld 5270 kJ -> 5,27) Waarde in kJ: 10000 tot 99999 / weergave op display: 10,0 tot 99,9 (gedeeld door duizend tot één cijfer achter de komma, bijvoorbeeld 23580 kJ -> 23,6) |
| Ejt | EasyJob Trigger voor het activeren / deactiveren van het omschakelen van EasyJobs met de toortstoets Eenheid: - Instelbereik: ON, OFF (AAN, UIT) Fabrieksinstelling: OFF (UIT) Functie met MIG/MAG-toortstoets Toortstoets kort (<0,5 s) indrukken Geen lasbedrijf:
In het lasbedrijf:
Functie met MIG/MAG-Up/Down-toets Als er een EasyJob is geselecteerd, worden de EasyJob en de lasstroom gewijzigd. Geen lasbedrijf:
In het lasbedrijf:
|
| SEt | Landeninstelling (Standaard / US) ... Std / US (VS) Eenheid: - Instelbereik: Std, US (VS) Fabrieksinstelling: Standaardapparaat: Std (maataanduiding: cm/mm) Amerikaans apparaat: US (maataanduiding: inch) |
| r | Laskringweerstand (in mOhm) Zie paragraaf Laskringweerstand vaststellen (MIG/MAG-lassen) vanaf pagina (→) |
| L | Laskring-inductiviteit (in microhenry) Zie paragraaf Laskring-inductiviteit aangeven vanaf pagina (→) |
| FUS | Netbeveiliging Het maximaal mogelijke lasvermogen wordt beperkt door de hoogte van de ingestelde netbeveiliging. Eenheid: A De beschikbare netbeveiligingswaarden zijn afhankelijk van de instelling van de parameter SEt: Parameter SEt op Std: OFF ('UIT') / 10 / 13 / 16 Parameter SEt op US: OFF ('UIT') / 15 / 20 (alleen bij 120V-netspanning) Fabrieksinstelling: OFF ('UIT') |
| C-C | Cooling unit Control - besturing koelapparaat (alleen bij TST 3500c MP en bij aangesloten koelapparaat) Eenheid: - Instelbereik: Aut, On, OFF Fabrieksinstelling: Aut Aut: Het koelapparaat schakelt na een laspauze van 2 minuten uit. BELANGRIJK! Zijn de opties Bewaking koelmiddeltemperatuur en Bewaking doorstroming in het koelapparaat ingebouwd, dan schakelt het koelapparaat uit zodra de teruglooptemperatuur lager is dan 50 °C, maar op zijn vroegst na 2 minuten laspauze. On (Aan): Het koelapparaat blijft permanent ingeschakeld OFF ('UIT'): Het koelapparaat blijft permanent uitgeschakeld BELANGRIJK! Bij gebruik van de parameter FAC wordt de parameter C-C niet teruggezet naar de fabrieksinstelling. Als de lasprocedure Elektrodelassen is geselecteerd, blijft het koelapparaat altijd uitgeschakeld, ook in de stand 'On' (Aan). |
| C-t | Cooling Time (alleen bij TST 3500c MP en bij aangesloten koelapparaat) Tijd tussen het aanspreken van de doorstroombewaking en uitgave van de servicecode 'no | H2O'. Als in het koelsysteem bijvoorbeeld luchtbellen voorkomen schakelt het koelapparaat pas na de ingestelde tijd uit. Eenheid: s Instelbereik: 5 - 25 Fabrieksinstelling: 10 BELANGRIJK! Voor testdoeleinden loopt het koelapparaat na elke inschakeling van de stroombron 180 seconden lang. |
| SEt | Landeninstelling (Standaard / USA) ... Std / US (Std. / VS) Eenheid: - Instelbereik: Std, US (Standaard / USA) Bij selectie van Std worden de lasprogramma's Euro volgens de lasprogrammatabel gebruikt. Bij selectie van US worden de lasprogramma's US volgens de lasprogrammatabel gebruikt. Fabrieksinstelling: Standaardversie: Std (maataanduiding: cm/mm) USA-versie: US (maataanduiding: inch) |
| FUS | Netbeveiliging Het maximaal mogelijke lasvermogen wordt beperkt door de hoogte van de ingestelde netbeveiliging. Eenheid: A De beschikbare netbeveiligingswaarden zijn afhankelijk van de instelling van de parameter SEt: Parameter SEt op Std: OFF / 10 / 13 / 16 Parameter SEt op US: OFF (UIT) / 15 / 20 (alleen bij 120 V netspanning) Fabrieksinstelling: OFF ('UIT’) |
Door het vaststellen van de lascircuitweerstand is het mogelijk om ook bij verschillende lengtes van het slangenpakket altijd een gelijkblijvend lasresultaat te bereiken; daardoor is de lasspanning bij de lichtboog altijd precies afgestemd, onafhankelijk van de lengte en de doorsnede van het slangenpakket. Gebruik van de Lengtecorrectie lichtboog is niet meer nodig.
De laskringweerstand wordt na het vaststellen op het display weergegeven.
r = lascircuitweerstand in milliohm (mOhm)
Bij een correct doorgevoerde bepaling van de laskringweerstand komt de ingestelde lasspanning precies overeen met de lasspanning bij de lichtboog. Als de spanning bij de uitgangsbussen van de stroombron handmatig wordt gemeten, is deze met het spanningsverval van het slangenpakket hoger dan de lasspanning bij de lichtboog.
De laskringweerstand is afhankelijk van het gebruikte slangenpakket:Door het vaststellen van de lascircuitweerstand is het mogelijk om ook bij verschillende lengtes van het slangenpakket altijd een gelijkblijvend lasresultaat te bereiken; daardoor is de lasspanning bij de lichtboog altijd precies afgestemd, onafhankelijk van de lengte en de doorsnede van het slangenpakket. Gebruik van de Lengtecorrectie lichtboog is niet meer nodig.
De laskringweerstand wordt na het vaststellen op het display weergegeven.
r = lascircuitweerstand in milliohm (mOhm)
Bij een correct doorgevoerde bepaling van de laskringweerstand komt de ingestelde lasspanning precies overeen met de lasspanning bij de lichtboog. Als de spanning bij de uitgangsbussen van de stroombron handmatig wordt gemeten, is deze met het spanningsverval van het slangenpakket hoger dan de lasspanning bij de lichtboog.
De laskringweerstand is afhankelijk van het gebruikte slangenpakket:Risico op een foutieve meting van de laskringweerstand.
Dit kan een negatief effect hebben op het lasresultaat.
Controleren of het werkstuk in het bereik van de aardingsklem een optimaal contactoppervlak biedt (oppervlak schoongemaakt, roestvrij gemaakt, enz.).
Risico op een foutieve meting van de laskringweerstand.
Dit kan een negatief effect hebben op het lasresultaat.
Controleren of het werkstuk een optimaal contactoppervlak voor de contactbuis biedt (oppervlak schoongemaakt, roestvrij gemaakt, enz.).
De meting is afgesloten wanneer het display de lascircuit-weerstand in mOhm weergeeft (bijvoorbeeld 11,4).
De ligging van het leidingpakket het aanzienlijke uitwerking op de laskringinductiviteit en heeft daardoor invloed op het lasproces. Om het optimale lasresultaat te verkrijgen, is daarom een correcte ligging van het leidingpakket belangrijk.
De ligging van het leidingpakket het aanzienlijke uitwerking op de laskringinductiviteit en heeft daardoor invloed op het lasproces. Om het optimale lasresultaat te verkrijgen, is daarom een correcte ligging van het leidingpakket belangrijk.
Met de setup-parameter 'L' wordt de laatst vastgestelde laskring-inductiviteit weergegeven. De daadwerkelijke afstelling van de laskring-inductiviteit vindt tegelijkertijd met het vaststellen van de laskringweerstand plaats. Gedetailleerde informatie daarover vindt u in het hoofdstuk 'Laskringweerstand vaststellen'.
De laatst vastgestelde laskring-inductiviteit L wordt op het rechter digitale scherm getoond.
L ... Laskring-inductiviteit (in microhenry)
De apparaten zijn uitgerust met een intelligent beveiligingssysteem. Hierdoor hoeft er vrijwel geen gebruik meer te worden gemaakt van smeltzekeringen. Het vervangen van smeltzekeringen behoort dan ook tot het verleden. Na het oplossen van een mogelijke storing is het apparaat weer klaar voor gebruik.
De apparaten zijn uitgerust met een intelligent beveiligingssysteem. Hierdoor hoeft er vrijwel geen gebruik meer te worden gemaakt van smeltzekeringen. Het vervangen van smeltzekeringen behoort dan ook tot het verleden. Na het oplossen van een mogelijke storing is het apparaat weer klaar voor gebruik.
De apparaten zijn uitgerust met een intelligent beveiligingssysteem. Hierdoor hoeft er vrijwel geen gebruik meer te worden gemaakt van smeltzekeringen. Het vervangen van smeltzekeringen behoort dan ook tot het verleden. Na het oplossen van een mogelijke storing is het apparaat weer klaar voor gebruik.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
Gevaar door elektrische stroom.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.
Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.
Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.
Gevaar door ontoereikende randaardeverbindingen.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
De schroeven van de behuizing vormen een geschikte verbinding van de randaarde, voor de aarding van de behuizing.
De schroeven van de behuizing mogen in geen geval worden vervangen door andere schroeven zonder betrouwbare verbinding van de randaarde.
Noteer het serienummer en de configuratie van het apparaat en neem met een gedetailleerde foutbeschrijving contact op met de servicedienst als
| Oorzaak: | De stroomtoevoer is onderbroken, de netstekker is niet in het stopcontact gestoken |
| Oplossing: | Netvoedingskabel controleren, de stekker van het netsnoer in het stopcontact steken |
| Oorzaak: | De netstekkerdoos of de netstekker is defect |
| Oplossing: | De defecte onderdelen vervangen |
| Oorzaak: | Netbeveiliging |
| Oplossing: | De netbeveiliging vervangen |
| Oorzaak: | alleen bij lastoortsen met externe stuurstekker: De stuurstekker is niet aangesloten |
| Oplossing: | Steek stuurstekker in contact |
| Oorzaak: | Lastoorts of stuurleiding van de lastoorts is defect |
| Oplossing: | Vervang de lastoorts |
| Oorzaak: | Verbindingsslangenpakket defect of niet correct aangesloten |
| Remedie: | Verbindingsleidingpakket controleren |
| Oorzaak: | Overbelasting |
| Remedie: | Rekening houden met maximale ingeschakelde tijd |
| Oorzaak: | Thermo-veiligheidsautomaat heeft de stroombron uitgeschakeld |
| Remedie: | Afkoelfase afwachten; stroombron gaat na korte tijd vanzelf weer aan |
| Oorzaak: | Onvoldoende toevoer van koellucht |
| Remedie: | Trek het luchtfilter aan de achterzijde van de behuizing zijdelings uit het apparaat en maak het filter schoon, zorg ervoor dat zich rond de koelluchtkanalen geen obstructies bevinden |
| Oorzaak: | Ventilator in de stroombron is defect |
| Remedie: | Neem contact op met de servicedienst |
| Oorzaak: | Verkeerde massa-aansluiting |
| Remedie: | Aardeaansluiting op polariteit controleren |
| Oorzaak: | Stroomkabel in lasbrander onderbroken |
| Remedie: | Lasbrander vervangen |
| Oorzaak: | Gasfles leeg |
| Remedie: | Gasfles vervangen |
| Oorzaak: | Gasdrukverminderaar defect |
| Remedie: | Gasdrukverminderaar vervangen |
| Oorzaak: | Gasleiding niet gemonteerd of beschadigd |
| Remedie: | Gasleiding monteren of vervangen |
| Oorzaak: | Lasbrander defect |
| Remedie: | Lasbrander vervangen |
| Oorzaak: | Gasmagneetventiel defect |
| Remedie: | Contact opnemen met de servicedienst |
| Oorzaak: | rem te sterk afgesteld |
| Oplossing: | rem losmaken |
| Oorzaak: | boring van de contactbuis te nauw |
| Oplossing: | passende contactbuis gebruiken |
| Oorzaak: | draadgeleidekern in lasbrander defect |
| Oplossing: | draadgeleidekern controleren op knikken, vuil enz. en eventueel vervangen |
| Oorzaak: | aandrijfrollen niet geschikt voor gebruikte draadelektrode |
| Oplossing: | passende aandrijfrollen gebruiken |
| Oorzaak: | verkeerde contactdruk van de aandrijfrollen |
| Oplossing: | contactdruk optimaliseren |
| Oorzaak: | onjuiste ligging van het slangenpakket van de lasbrander |
| Oplossing: | Het slangenpakket van de lasbrander zo rechtlijnig mogelijk leggen, nauwe buigingen vermijden |
| Oorzaak: | Lastoorts te zwak gedimensioneerd |
| Oplossing: | rekening houden met inschakelduur en belastingsgrenzen |
| Oorzaak: | alleen bij watergekoelde apparaten: doorstroming koelmiddel te laag |
| Oplossing: | koelmiddelpeil, koelmiddeldoorstroomhoeveelheid, koelmiddelvervuiling enz. controleren. Meer informatie vindt u in de gebruiksaanwijzing van het koelapparaat |
| Oorzaak: | Verkeerde lasparameter |
| Remedie: | Instellingen controleren |
| Oorzaak: | Massaverbinding slecht |
| Remedie: | Goed contact met werkstuk maken |
| Oorzaak: | Geen of te weinig beschermgas |
| Remedie: | Drukverminderaar, gasleiding, gas-magneetventiel, lasbrander-gasaansluiting enz. controleren |
| Oorzaak: | Lasbrander lek |
| Remedie: | Lasbrander vervangen |
| Oorzaak: | Verkeerde of uitgeslepen contactbuis |
| Remedie: | Contactbuis vervangen |
| Oorzaak: | Verkeerde draadlegering of verkeerde draaddiameter |
| Remedie: | Ingelegde draadelektrode controleren |
| Oorzaak: | Verkeerde draadlegering of verkeerde draaddiameter |
| Remedie: | Lasbaarheid van het basismateriaal controleren |
| Oorzaak: | Beschermgas niet geschikt voor draadlegering |
| Remedie: | Juiste soort beschermgas gebruiken |
Als er op een van de weergaven een foutmelding wordt weergegeven die hier niet is genoemd, probeert u het probleem dan eerst op de volgende wijze op te lossen:
Doet de storing zich ondanks meerdere pogingen deze te verhelpen, opnieuw voor of hebben de hier voorgestelde remedies niet het gewenste gevolg, ga dan als volgt te werk:
| Oorzaak: | Het gebruikte koelapparaat is niet compatibel met de stroombron |
| Remedie: | Compatibel koelapparaat aansluiten |
| Oorzaak: | Op de robotinterface is een ongeldig lasproces opgeroepen (nr. 37) of een leeg item geselecteerd (nr. 32) |
| Remedie: | Een geldig lasproces oproepen of een toegewezen geheugentoets selecteren |
| Oorzaak: | De aangesloten draadaanvoer wordt niet ondersteund |
| Remedie: | Ondersteunde draadaanvoer aansluiten |
| Oorzaak: | In het systeem bevinden zich niet-combineerbare bedieningspanelen voor de materiaalselectie |
| Remedie: | Combineerbare bedieningspanelen voor de materiaalselectie aansluiten |
| Oorzaak: | Ongeldige wisseling van het lasproces tijdens het lassen |
| Remedie: | Tijdens het lassen geen niet-toegestane wisseling van het lasproces uitvoeren; hef de foutmelding op door op een willekeurige toets te drukken |
| Oorzaak: | Er is meer dan één robotinterface aangesloten |
| Remedie: | Er mag slechts één robotinterface zijn aangesloten; controleer de systeemconfiguratie |
| Oorzaak: | Er is meer dan één afstandsbediening aangesloten |
| Remedie: | Er mag slechts één afstandsbediening zijn aangesloten; controleer de systeemconfiguratie |
| Oorzaak: | De besturing van de stroombron heeft een primaire overspanning geconstateerd |
| Oplossing: | Netspanning controleren. Indien servicecode alsnog blijft staan, stroombron uitschakelen, 10 seconden wachten en aansluitend stroombron weer inschakelen. Als de fout ook dan nog blijft bestaan, servicedienst verwittigen |
| Oorzaak: | De aardstroomcontrole heeft de veiligheidsschakelaar van de stroombron in werking gesteld. |
| Remedie: | Stroombron uitschakelen Stroombron op een geïsoleerde ondergrond plaatsen Aardekabel op een deel van het werkstuk aansluiten, dat zich dicht bij de lichtboog bevindt 10 seconden wachten en aansluitend weer inschakelen treedt de storing ondanks meerdere pogingen opnieuw op - Servicedienst op de hoogte brengen |
| Oorzaak: | Bij de optie VRD werd de nullastspanningsgrens bij stationair draaien van 35 V overschreden. |
| Remedie: | Stroombron uitschakelen 10 seconden wachten en vervolgens stroombron opnieuw inschakelen |
| Oorzaak: | De optie VRD is te vroeg in werking getreden. |
| Remedie: | Controleer of alle laskabels en regelkabels zijn aangesloten. Stroombron uitschakelen 10 seconden wachten en vervolgens de stroombron weer inschakelen Treedt opnieuw de fout meerdere keren op - servicedienst op de hoogte brengen. |
| Oorzaak: | De optie Externe stop heeft ingegrepen |
| Remedie: | De situatie opheffen die tot de externe stop heeft geleid |
| Oorzaak: | Flag op de robotinterface is niet gewist door de robot |
| Remedie: | Op de robotinterface het signaal "Robot gereed" wissen |
| Oorzaak: | Fase-uitval speciaal bij TSt 2700c: Als de fout tijdens het lassen optreedt, wordt het lassen gestopt. speciaal bij TSt 2700 MV: Een 1-fasig bedrijf met beperkt vermogen is mogelijk: Bij het inschakelen van de stroombron verschijnt de weergave "PHA | SE1" om u op een lager vermogen attent te maken. Als er tijdens het lassen van de 3-fasige voeding naar de 1-fasige voeding wordt overgeschakeld (weergave: "PHA | SE1") of van 1-fasig naar 3-fasig (weergave: "PH | ASE 3"), wordt het lassen gestopt. |
| Oplossing: | Netbeveiliging, netvoedingskabel en netstekker controleren. Stroombron uitschakelen, 10 seconden wachten en stroombron weer inschakelen. |
| Oorzaak: | De stroombron wordt eenfasig gebruikt |
| Remedie: | - |
| Oorzaak: | De stroombron wordt driefasig gebruikt |
| Remedie: | - |
| Oorzaak: | Onderspanning van het net: de netspanning is onder de tolerantiewaarde gekomen |
| Remedie: | Netspanning controleren; wordt de foutcode nog steeds weergegeven, dan contact opnemen met de servicedienst |
| Oorzaak: | Overspanning van het net: de netspanning heeft de tolerantiewaarde overschreden |
| Remedie: | Netspanning controleren; wordt de foutcode nog steeds weergegeven, dan contact opnemen met de servicedienst |
| Oorzaak: | Niet-toegestane draadaanvoer aangesloten |
| Remedie: | Toegestane draadaanvoer aansluiten |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur draadaanvoer |
| Remedie: | Draadaanvoer laten afkoelen |
| Oorzaak: | Fout in draadstimuleringssysteem (overspanning aandrijving draadtoevoer) |
| Remedie: | Leidingpakket zo rechtlijnig mogelijk uitleggen; draadgeleidingskernen op knikken of vuil controleren; contactdruk bij 4-rollenaandrijving controleren |
| Oorzaak: | Draadtoevoermotor stokt of is defect |
| Remedie: | Draadtoevoermotor controleren of Servicdienst raadplegen |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur in primaire kring van de stroombron |
| Remedie: | Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen, controleren of de ventilator loopt |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur bij de booster in de stroombron |
| Remedie: | Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen, controleren of de ventilator loopt |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur in secundaire kring van de stroombron |
| Remedie: | Stroombron laten afkoelen, controleren of de ventilator loopt |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur in de motor van de draadaanvoer |
| Remedie: | Draadaanvoer laten afkoelen |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur in lasbrander |
| Remedie: | Lasbrander laten afkoelen |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur in koelapparaat |
| Remedie: | Koelapparaat laten afkoelen, controleren of de ventilator loopt |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur in de transformator van de stroombron |
| Remedie: | Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen, controleren of de ventilator loopt |
| Oorzaak: | Te hoge temperatuur in de stroombron |
| Oplossing: | Stroombron laten afkoelen, luchtfilter controleren en indien nodig reinigen, controleren of de ventilator loopt |
| Oorzaak: | Bij een eenfaseproces van de stroombron TSt 2700c MV is de veiligheidsuitschakeling van de stroombron geactiveerd om het uitlokken van de netbeveiliging te voorkomen. |
| Oplossing: | Na een laspauze van ca. 60 seconden verdwijnt het bericht en is de stroombron weer gereed voor gebruik. |
| Oorzaak: | Te lage temperatuur in primaire kring van de stroombron |
| Remedie: | Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen |
| Oorzaak: | Te lage temperatuur bij de booster in de stroombron |
| Remedie: | Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen |
| Oorzaak: | Te lage temperatuur in secundaire kring van de stroombron |
| Remedie: | Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen |
| Oorzaak: | Te lage temperatuur in de motor van de draadaanvoer |
| Remedie: | Draadaanvoer in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen |
| Oorzaak: | Te lage temperatuur in lasbrander |
| Remedie: | Lasbrander in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen |
| Oorzaak: | Te lage temperatuur in koelapparaat |
| Remedie: | Koelapparaat in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen |
| Oorzaak: | Te lage temperatuur in de transformator van de stroombron |
| Remedie: | Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen |
| Oorzaak: | Te lage temperatuur in de stroombron |
| Remedie: | Stroombron in een verwarmde ruimte plaatsen en laten opwarmen |
| Oorzaak: | Doorstroomhoeveelheid van het koelmiddel te klein |
| Remedie: | Doorstroomhoeveelheid van het koelmiddel, het koelapparaat en de koelkringloop controleren (zie voor de minimale doorstroomhoeveelheid het hoofdstuk "Technische gegevens" in de bedieningshandleiding van het apparaat) |
| Oorzaak: | Temperatuur koelmiddel te hoog |
| Remedie: | Koelapparaat en koelkringloop laten afkoelen totdat "hot | H2O" niet meer wordt weergegeven. Koelapparaat openen en koeler reinigen, controleren of de ventilator correct werkt. Robotinterface of instrumentatiebus-koppeling: voor het voortzetten van het lassen het signaal "bronstoring opheffen" (Source Error Reset) instellen. |
| Oorzaak: | geen voorgeprogrammeerd programma gekozen |
| Remedie: | geprogrammeerd programma kiezen |
| Oorzaak: | De functie 'Ignition Time-Out' is actief; binnen de in het setup-menu ingestelde gestimuleerde draadlengte is geen geleiding tot stand gekomen. De veiligheidsuitschakeling van de stroombron is in werking getreden |
| Oplossing: | Vrij draadeinde inkorten, meermaals de brandertoets indrukken; het werkstukoppervlak reinigen; eventueel in setup-menu de parameter 'Ito' instellen |
| Oorzaak: | Het geselecteerde lasprogramma is ongeldig |
| Remedie: | Een geldig lasprogramma selecteren |
| Oorzaak: | De gewenste draadaanvoer is niet beschikbaar voor de geselecteerde karakteristiek |
| Remedie: | Een passende draadaanvoer aansluiten; steekverbindingen van het slangenpakket controleren |
| Oorzaak: | Bepalen van de weerstand van het lascircuit is mislukt |
| Oplossing: | Aardingskabel, stroomkabel of slangenpakket controleren en indien nodig vervangen, lascircuit-weerstand opnieuw bepalen |
| Oorzaak: | De optie Gascontrole heeft geen gasdruk herkend |
| Remedie: | Nieuwe gasfles aansluiten of gasflesventiel / drukverminderaar openen, optie Gascontrole resetten, foutmelding "no | GAS" opheffen door op een willekeurige toets te drukken. |
| Oorzaak: | Er zijn geen datum en tijd op de stroombron ingesteld |
| Oplossing: | voor resetten van servicecode pijltoets indrukken; Datum en tijd op tweede niveau van Service-menu instellen; zie pagina (→) |
| Oorzaak: | De accu van de OPT Easy Documentation is bijna leeg |
| Oplossing: | voor resetten van servicecode pijltoets indrukken; Servicedienst op de hoogte brengen (voor verwisselen van accu) |
| Oorzaak: | De accu van de OPT Easy Documentation is leeg |
| Oplossing: | voor resetten van servicecode pijltoets indrukken - op display wordt no | dAt weergegeven; Servicedienst op de hoogte brengen (voor verwisselen van accu); Nadat accu is verwisseld datum en tijd op tweede niveau van Service-menu instellen; zie pagina (→) |
| Oorzaak: | Fout tijdens schrijven van gegevens; interne documentatiefout; communicatiefout; |
| Oplossing: | Stroombron uit- en inschakelen |
| Oorzaak: | Ongeldig bestandssysteem op USB-stick; Algemene USB-fout |
| Oplossing: | USB-stick verwijderen |
| Oorzaak: | De geplaatste USB-stick is vol |
| Oplossing: | USB-stick verwijderen en nieuwe USB-stick plaatsen |
Het lassysteem heeft onder normale bedrijfsomstandigheden slechts minimale verzorging en onderhoud nodig. Enkele punten verdienen echter absoluut aandacht, om het lassysteem jarenlang gebruiksklaar te houden.
Het lassysteem heeft onder normale bedrijfsomstandigheden slechts minimale verzorging en onderhoud nodig. Enkele punten verdienen echter absoluut aandacht, om het lassysteem jarenlang gebruiksklaar te houden.
Gevaar door elektrische stroom.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Schakel voor aanvang van de werkzaamheden alle betrokken apparaten en componenten uit en ontkoppel ze van het elektriciteitsnet.
Beveilig alle betrokken apparaten en componenten tegen opnieuw inschakelen.
Controleer na het openen van het apparaat met behulp van een geschikte meter of de elektrisch geladen onderdelen (bijv. condensatoren) ontladen zijn.
Gevaar door verkeerde bediening en verkeerd uitgevoerde werkzaamheden.
Dit kan ernstig letsel en schade aan eigendommen veroorzaken.
Alle werkzaamheden en functies die in dit document worden beschreven, mogen uitsluitend door technisch geschoold personeel worden uitgevoerd.
U dient dit document volledig te lezen en te begrijpen.
Alle veiligheidsvoorschriften en gebruikersdocumentatie van dit apparaat en alle systeemcomponenten moeten gelezen en begrepen worden.
De luchtinstroom- en uitstroomopeningen mogen in geen geval zijn bedekt, ook niet deels.
Afhankelijk van de stofproductie:
TSt 2700cGevaar van materiële schade.
Het luchtfilter mag alleen in droge toestand zijn gemonteerd.
Zo nodig het luchtfilter met droge perslucht reinigen of met behulp van uitspoelen.
Gevaar door persluchtinwerking.
Dit kan schade aan eigendommen veroorzaken.
Elektronische onderdelen niet van korte afstand schoonblazen.
Een elektrische schok kan dodelijk zijn!
Gevaar voor elektrische schokken door ondeskundig aangesloten aardingskabels en aarding van de apparatuur.
Let er bij de montage van de zijpanelen op dat de aardingskabels en de aardingen van de apparaten correct zijn aangesloten.
Het afvoeren mag uitsluitend volgens de nationale en regionale bepalingen plaatsvinden.
Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 5 m/min | |||
| Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm |
Draadelektrode van staal | 1,8 kg/h | 2,7 kg/h | 4,7 kg/h |
Draadelektrode van aluminium | 0,6 kg/h | 0,9 kg/h | 1,6 kg/h |
Draadelektrode van CrNi | 1,9 kg/h | 2,8 kg/h | 4,8 kg/h |
Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 10 m/min | |||
| Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm |
Draadelektrode van staal | 3,7 kg/h | 5,3 kg/h | 9,5 kg/h |
Draadelektrode van aluminium | 1,3 kg/h | 1,8 kg/h | 3,2 kg/h |
Draadelektrode van CrNi | 3,8 kg/h | 5,4 kg/h | 9,6 kg/h |
Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 5 m/min | |||
| Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm |
Draadelektrode van staal | 1,8 kg/h | 2,7 kg/h | 4,7 kg/h |
Draadelektrode van aluminium | 0,6 kg/h | 0,9 kg/h | 1,6 kg/h |
Draadelektrode van CrNi | 1,9 kg/h | 2,8 kg/h | 4,8 kg/h |
Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 10 m/min | |||
| Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm |
Draadelektrode van staal | 3,7 kg/h | 5,3 kg/h | 9,5 kg/h |
Draadelektrode van aluminium | 1,3 kg/h | 1,8 kg/h | 3,2 kg/h |
Draadelektrode van CrNi | 3,8 kg/h | 5,4 kg/h | 9,6 kg/h |
Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 5 m/min | |||
| Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm |
Draadelektrode van staal | 1,8 kg/h | 2,7 kg/h | 4,7 kg/h |
Draadelektrode van aluminium | 0,6 kg/h | 0,9 kg/h | 1,6 kg/h |
Draadelektrode van CrNi | 1,9 kg/h | 2,8 kg/h | 4,8 kg/h |
Gemiddeld verbruik van draadelektroden bij een draadtoevoersnelheid van 10 m/min | |||
| Draadelektrode met een diameter van 1,0 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,2 mm | Draadelektrode met een diameter van 1,6 mm |
Draadelektrode van staal | 3,7 kg/h | 5,3 kg/h | 9,5 kg/h |
Draadelektrode van aluminium | 1,3 kg/h | 1,8 kg/h | 3,2 kg/h |
Draadelektrode van CrNi | 3,8 kg/h | 5,4 kg/h | 9,6 kg/h |
Diameter van draadelektrode | 1,0 mm | 1,2 mm | 1,6 mm | 2,0 mm | 2 x 1,2 mm (TWIN) |
Gemiddeld verbruik | 10 l/min | 12 l/min | 16 l/min | 20 l/min | 24 l/min |
Grootte van gasmondstuk | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 10 |
Gemiddeld verbruik | 6 l/min | 8 l/min | 10 l/min | 12 l/min | 12 l/min | 15 l/min |
Bij apparaten die op speciale spanning zijn berekend gelden de technische gegevens op het typeplaatje.
Geldt voor alle apparaten met een toelaatbare netspanning van tot 460 V: De seriematige netstekker maakt werken met een netspanning van tot 400 V mogelijk. Monteer voor netspanningen tot 460 V een daarvoor geschikte netstekker of installeer de netvoorziening rechtstreeks.
Bij apparaten die op speciale spanning zijn berekend gelden de technische gegevens op het typeplaatje.
Geldt voor alle apparaten met een toelaatbare netspanning van tot 460 V: De seriematige netstekker maakt werken met een netspanning van tot 400 V mogelijk. Monteer voor netspanningen tot 460 V een daarvoor geschikte netstekker of installeer de netvoorziening rechtstreeks.
De inschakelduur (in het Duits: Einschaltdauer, ED) is dat gedeelte van een cyclus van 10 minuten waarin het apparaat met het aangegeven vermogen kan worden gebruikt zonder oververhit te raken.
De op het kenplaatje vermelde waarden voor de ED hebben betrekking op een omgevingstemperatuur van 40°C.
Als de omgevingstemperatuur hoger is, moet de ED of het vermogen dienovereenkomstig worden verlaagd.
Voorbeeld: Lassen met 150 A bij 60 % ED
Als het apparaat zonder onderbrekingen moet werken:
Netspanning (U1) |
| 3 x | 380 V | 400 V | 460 V | |
Max. effectieve primaire stroom (I1eff) |
| 7 A | 6,7 A | 5,8 A | ||
Max. primaire stroom (I1max) |
|
| 13,7 A | 13,0 A | 11,2 A | |
Netbeveiliging | 16 A traag gezekerd | |||||
Schijnbaar vermogen | bij 400 V AC |
| 9,0 kVA | |||
|
|
|
|
|
|
|
Tolerantie netspanning | -10 / +15% | |||||
Lichtnetfrequentie | 50 / 60 Hz | |||||
cos phi (1) | 0,99 | |||||
Max. toelaatbare netimpedantie Zmax bij PCC1) |
| 220 mOhm | ||||
|
|
|
|
|
|
|
Lasstroombereik (I2) |
|
|
|
|
| |
MIG / MAG |
|
| 10 - 270 A | |||
Staafelektrode |
|
| 10 - 270 A | |||
TIG |
|
| 10 - 270 A | |||
Lasstroom bij | 10 min / 40 °C (104 °F) |
| 30% | 60% | 100% | |
U1 = 3 x 380 - 400 V | MIG / MAG |
| 270 A | 210 A | 170 A | |
U1 = 3 x 460 V | MIG / MAG |
| 270 A | 210 A | 170 A | |
U1 = 3 x 380 - 400 V | Staafelektrode |
| 270 A | 210 A | 170 A | |
U1 = 3 x 460 V | Staafelektrode |
| 270 A | 210 A | 170 A | |
U1 = 3 x 380 - 400 V | TIG |
|
| 270 A | 210 A | 170 A |
U1 = 3 x 460 V | TIG |
|
| 270 A | 210 A | 170 A |
Bereik uitgangsspanning volgens normcurve (U2) |
|
|
| |||
MIG / MAG |
|
| 14,3 - 27,5 V | |||
Staafelektrode |
|
| 10,4 - 20,8 V | |||
TIG |
|
| 20,4 - 30,8 V | |||
Nullastspanning (U0 peak) |
| 85 V | ||||
|
|
|
|
|
|
|
Beschermingsklasse IP |
|
| IP 23 | |||
Isolatieklasse |
|
| B | |||
Overspanningscategorie |
|
| III | |||
Vervuilingsgraad volgens norm IEC60664 |
| 3 | ||||
EMV-emissieklasse |
| A 2) | ||||
Veiligheidssymbolen |
| S, CE | ||||
Afmetingen l x b x h |
| 687 x 276 x 445 mm | ||||
Gewicht |
|
| 30 kg | |||
|
|
|
|
|
|
|
Maximale druk beschermgas |
|
| 7 bar | |||
|
|
|
|
|
|
|
Draadsnelheid |
| 1 - 25 m/min | ||||
Draadaandrijving |
| 4-rollenaandrijving | ||||
Draaddiameter | 0,8 - 1,6 mm | |||||
Draadspoeldiameter |
| max. 300 mm | ||||
Gewicht van draadspoel |
| max. 20,0 kg | ||||
Energieverbruik in nullasttoestand bij 400 V | 38,3 W | |||||
Energie-efficiëntie van stroombron bij 270 A / 30,8 V | 89 % | |||||
| 1) | Interface voor openbaar elektriciteitsnet met 230 / 400 V en 50 Hz |
| 2) | Een apparaat van de emissieklasse A is niet bedoeld voor het gebruik in woongebieden waarin de voeding via een openbaar laagspanningsnet loopt. De elektromagnetische compatibiliteit kan door geleide of uitgestraalde radiofrequenties worden beïnvloed. |
Netspanning (U1) |
| 3 x | 230 V | 380 V | 460 V | |
Max. effectieve primaire stroom (I1eff) |
|
| 12,6 A | 7,5 A | 6,2 A | |
Max. primaire stroom (I1max) |
|
| 23,0 A | 13,7 A | 11,1 A | |
Netbeveiliging (traag gezekerd) | 32,0 A | 16,0 A | 16,0 A | |||
Schijnbaar vermogen bij 380 V AC | 9,02 kVA | |||||
|
|
|
|
|
|
|
Netspanning (U1) | 1 x | 230 V | 240 V | |||
Max. effectieve primaire stroom (I1eff) |
| 18,1 A | 18,1 A | |||
Max. primaire stroom (I1max) |
| 24,9 A | 28,1 A | |||
Netbeveiliging (traag gezekerd) |
| 16 A | 30 A | |||
Schijnbaar vermogen |
| 5,98 kVA | 6,74 kVA | |||
|
|
|
|
|
|
|
Tolerantie netspanning | -10 / +15% | |||||
Lichtnetfrequentie | 50 / 60 Hz | |||||
cos phi (1) | 0,99 | |||||
Max. toelaatbare netimpedantie Zmax bij PCC1) | 228 mOhm | |||||
|
|
|
|
|
|
|
Lasstroombereik (I2) | ||||||
MIG / MAG |
|
| 10 - 270 A | |||
Staafelektrode |
|
| 10 - 270 A | |||
TIG |
|
| 10 - 270 A | |||
Lasstroombereik (I2) in eenfasig bedrijf 2) | ||||||
MIG / MAG |
|
| 10 - 220 A | |||
Staafelektrode |
|
| 10 - 180 A | |||
TIG |
|
| 10 - 260 A | |||
Lasstroom bij | 10 min / 40 °C (104 °F) | 30 % | 60 % | 100 % | ||
U1 = 3 x 200 - 230 V: | MIG / MAG |
| 270 A | 200 A | 170 A | |
U1 = 3 x 380 - 460 V: | MIG / MAG |
| 270 A | 215 A | 185 A | |
U1 = 3 x 200 - 230 V: | Staafelektrode |
| 270 A | 200 A | 170 A | |
U1 = 3 x 380 - 460 V: | Staafelektrode |
| 270 A | 200 A | 170 A | |
U1 = 3 x 200 - 230 V: | TIG (35%) |
| 270 A | 220 A | 185 A | |
U1 = 3 x 380 - 460 V: | TIG (35%) |
| 270 A | 230 A | 195 A | |
Lasstroom in eenfasig bedrijf 2) bij | 10 min / 40 °C (104 °F) | 40 % | 100 % | |||
U1 = 1 x 230 V: | MIG / MAG, zekering 16 A | 180 A |
| 145 A | ||
U1 = 1 x 240 V: | MIG / MAG, zekering 30 A | 220 A |
| 170 A | ||
Lasstroom in eenfasig bedrijf 2) bij | 10 min / 40 °C (104 °F) | 40 % | 100 % | |||
U1 = 1 x 230 V: | Staafelektrode, zekering 16 A | 150 A |
| 130 A | ||
U1 = 1 x 240 V: | Staafelektrode, zekering 30 A | 180 A |
| 140 A | ||
Lasstroom in eenfasig bedrijf 2) bij | 10 min / 40 °C (104 °F) | 35 % | 100 % | |||
U1 = 230 V: | TIG, zekering 16 A | 220 A |
| 170 A | ||
U1 = 240 V: | TIG, zekering 30 A | 260 A |
| 180 A | ||
Bereik uitgangsspanning volgens normcurve (U2) | ||||||
MIG / MAG |
|
| 14,5 - 27,5 V | |||
Staafelektrode |
|
| 20,4 - 30,8 V | |||
TIG |
|
| 10,4 - 20,8 V | |||
Bereik uitgangsspanning volgens normcurve (U2) in eenfasig bedrijf 2) | ||||||
MIG / MAG |
|
| 14,5 - 25,0 V | |||
Staafelektrode |
|
| 20,4 - 27,2 V | |||
TIG |
|
| 10,4 - 20,4 V | |||
Nullastspanning (U0 peak) |
| 85 V | ||||
|
|
|
|
|
|
|
Beschermingsklasse |
|
| IP 23 | |||
Isolatieklasse |
|
| B | |||
Overspanningscategorie |
|
| III | |||
Vervuilingsgraad volgens norm IEC60664 |
| 3 | ||||
EMV-emissieklasse |
| A 3) | ||||
Veiligheidssymbolen |
| S, CE, CSA | ||||
Afmetingen l x b x h |
| 687 x 276 x 445 mm | ||||
Gewicht |
|
| 31,8 kg | |||
|
|
|
|
|
|
|
Maximale druk beschermgas |
|
| 7 bar | |||
|
|
|
|
|
|
|
Draadsnelheid |
| 1 - 25 m/min | ||||
Draadaandrijving |
| 4-rollenaandrijving | ||||
Draaddiameter | 0,8 - 1,6 mm | |||||
Draadspoeldiameter |
| max. 300 mm | ||||
Gewicht van draadspoel |
| max. 20,0 kg | ||||
Energieverbruik in onbelaste toestand bij 400 V | 38,5 W | |||||
Efficiëntie van de stroombron bij 270 A / 30,8 V | 89 % | |||||
| 1) | Interface voor openbaar elektriciteitsnet met 230 / 400 V en 50 Hz |
| 2) | Gedetailleerde informatie over de inschakelduur in eenfasig bedrijf is te vinden in het hoofdstuk "Installatie", paragraaf "TSt 2700c MV MP - Eenfasig bedrijf" vanaf pagina (→). |
| 3) | Een apparaat van de emissieklasse A is niet bedoeld voor het gebruik in woongebieden waarin de voeding via een openbaar laagspanningsnet loopt. De elektromagnetische compatibiliteit kan door geleide of uitgestraalde radiofrequenties worden beïnvloed. |
Netspanning (U1) |
| 3 x | 380 V | 400 V | 460 V | |
Max. effectieve primaire stroom (I1eff) |
| 14,8 A | 14,1 A | 12,7 A | ||
Max. primaire stroom (I1max) |
| 23,8 A | 23,1 A | 21,1 A | ||
Netbeveiliging | 35 A traag gezekerd | |||||
|
|
|
|
|
|
|
Tolerantie netspanning | -10 / +15% | |||||
Lichtnetfrequentie | 50 / 60 Hz | |||||
Cos Phi (1) |
| 0,99 | ||||
Max. toelaatbare netimpedantie Zmax bij PCC1) | 77 mOhm | |||||
Aanbevolen lekstroom-beveiligingsschakelaar |
| Type B | ||||
|
|
|
|
|
|
|
Lasstroombereik (I2) |
|
|
|
|
| |
MIG / MAG |
|
| 10 - 350 A | |||
Staafelektrode |
|
| 10 - 350 A | |||
TIG |
|
| 10 - 350 A | |||
Lasstroom bij | 10 min / 40 °C (104 °F) |
| 40% | 60% | 100% | |
MIG / MAG |
|
| 350 A | 300 A | 250 A | |
Staafelektrode |
|
| 350 A | 300 A | 250 A | |
TIG |
|
| 350 A | 300 A | 250 A | |
Bereik uitgangsspanning volgens normcurve (U2) |
|
|
| |||
MIG / MAG |
|
| 14,5 - 31,5 V | |||
Staafelektrode |
|
| 20,4 - 34,0 V | |||
TIG |
|
| 10,4 - 24,0 V | |||
Nullastspanning (U0 peak) | 59 V | |||||
|
|
|
|
|
|
|
Schijnbaar vermogen bij 400 V AC |
|
| 15,87 kVA | |||
Beschermingsklasse IP |
|
| IP 23 | |||
Koelwijze |
|
| AF | |||
Isolatieklasse |
|
| B | |||
Overspanningscategorie |
|
| III | |||
Vervuilingsgraad volgens norm IEC60664 | 3 | |||||
EMV-emissieklasse |
| A 2) | ||||
Veiligheidssymbolen |
| S, CE, CSA | ||||
Afmetingen l x b x h |
| 747 x 300 x 497 mm | ||||
Gewicht |
|
| 36 kg | |||
|
|
|
|
|
|
|
Maximale druk beschermgas |
|
| 5 bar | |||
Koelmiddel |
| Origineel Fronius | ||||
|
|
|
|
|
|
|
Draadsnelheid |
| 1 - 25 m/min | ||||
Draadaandrijving |
| 4-rollenaandrijving | ||||
Draaddiameter | 0,8 - 1,6 mm | |||||
Draadspoeldiameter |
| max. 300 mm | ||||
Gewicht van draadspoel |
| max. 19,0 kg | ||||
Max. geluidsemissie (LWA) |
| 72 dB (A) | ||||
Energieverbruik in nullasttoestand bij 400 V | 36,5 W | |||||
Energie-efficiëntie van stroombron bij 350 A / 34 V | 90 % | |||||
| 1) | Interface voor openbaar elektriciteitsnet met 230 / 400 V en 50 Hz |
| 2) | Een apparaat van de emissieklasse A is niet bedoeld voor het gebruik in woongebieden waarin de voeding via een openbaar laagspanningsnet loopt. De elektromagnetische compatibiliteit kan door geleide of uitgestraalde radiofrequenties worden beïnvloed. |
Overzicht van kritieke grondstoffen:
Op de volgende internetpagina is een overzicht te vinden van de kritieke grondstoffen die dit apparaat bevat:
www.fronius.com/en/about-fronius/sustainability.
Lasprogrammadatabase UID 3788
| * | Diameter = 0,6 mm (0,024 inch) |
Lasprogrammadatabase UID 3788
| * | Diameter = 0,6 mm (0,024 inch) |
Lasprogrammadatabase UID 3826
Lasprogrammadatabase UID 3787
| * | Diameter = 0,6 mm (0,024 inch) |
Lasprogrammadatabase UID 3787
| * | Diameter = 1,2 mm (0,45 inch) |